Vincent van Gogh en het verloren schetsboek uit Arles: nog veel losse eindjes

Hoe ongelegen kan een persbericht komen? Een samenwerkingsverband van vier grote uitgeverijen van kunstboeken presenteert de ontdekking van een nog onbekend schetsboek van Vincent van Gogh. Terwijl die boekpresentatie zich voltrekt, meldt het Van Gogh Museum dat de schetsen in dit boek zeker niet van deze kunstenaar zijn. Het werd een rel als een strovuur: kort maar hevig.

door Irma van Bommel en Lauran Toorians

Op 15 november 2016 verscheen bij vier uitgeverijen en in vier talen tegelijk een boek over en met een schetsboek van Vincent van Gogh uit de periode die hij doorbracht in Arles en Saint-Rémy-de-Provence. Dit nog onbekende schetsboek was enkele jaren eerder opgedoken en kunsthistorica en Van Gogh-kenner Bogomila Welsh-Ovcharov heeft er in alle stilte drie jaar lang gedegen onderzoek naar verricht. Dat resulteerde in een boek dat ook alle schetsen op het originele formaat bevat. Op diezelfde vijftiende november deelde het Van Gogh Museum mee dat dit schetsboek onmogelijk aan Van Gogh kan worden toegeschreven. De dagen erna waren de kranten er vol van. Sindsdien is het akelig stil.

Overtuigd
Het klinkt onwaarschijnlijk: een schetsboek van Vincent van Gogh (1853-1890) dat pas na honderdtwintig jaar opduikt en maar liefst 65 tekeningen bevat. Bogomila Welsh-Ovcharov was als hoogleraar kunstgeschiedenis verbonden aan de Universiteit van Toronto en is kenner van het werk van Van Gogh. Zij is en blijft heilig overtuigd van de toeschrijving van het schetsboek aan Van Gogh. Ze wordt daarin gesteund door kunsthistoricus Ronald Pickvance. Hij is specialist op het gebied van Franse kunst van de negentiende eeuw, was hoogleraar aan de Universiteit van Glasgow en publiceerde gezaghebbend werk over de late tekeningen van Van Gogh. Hij schreef het voorwoord in het boek dat nu verscheen.

Vincent van Gogh, Korenveld met cipressen, juni juli 1889. Van Gogh Museum, Amsterdam.

Op een ‘warme namiddag in augustus drie jaar geleden’ – dus in 2013, maar zo nauwkeurig is de kunsthistorica niet – kreeg Welsh het schetsboek via-via in handen. Het bleek in het bezit te zijn van erfgenamen van een familie Basso die vanaf eind negentiende eeuw een café uitbaatte in het bekende Gele Huis waar Van Gogh in 1888 zijn intrek had genomen. Het schetsboek bevond zich tussen zakelijke papieren van Marie en Joseph Ginoux van Café de la Gare met wie Van Gogh bevriend was. Van hen huurde hij het Gele Huis. Van Gogh zou het schetsboek in 1888 bij zijn aankomst in Arles hebben gekregen van het echtpaar Ginoux en het later hebben laten terugbezorgen vóór zijn vertrek naar Auvers-sur-Oise. Het schetsboek bevat tekeningen uit de periode mei 1888 tot mei 1890, de periode dat hij in Arles verbleef, en later in een gesticht in Saint-Rémy-de-Provence.

Het gaat niet om een gewoon schetsboek, maar om een kasboek. Volgens de reconstructie van Welsh kreeg Van Gogh dit van het echtpaar Ginoux. Maar waarom een kasboek? Waarschijnlijk omdat dit type ongelinieerde kasboeken niet langer in gebruik was en het in het café geen functie meer had. Er waren inmiddels modernere kasboeken op de markt, met gelinieerde pagina’s. Van Gogh zou dit boek graag willen hebben vanwege de papiersoort die goed inkt opneemt. Juist door dit papier zou hij het tekenen met de rietpen (die hij zelf sneed) opnieuw hebben opgepakt.

Bezorgd
Van Gogh had zich in 1889 onmogelijk gemaakt in Arles. Door de ruzie met de schilder Paul Gauguin, die enige tijd bij hem verbleef in het Gele Huis, en na het afsnijden van een oor was hij persona non grata. Dat zou dan weer de reden zijn dat hij na zijn opname in de inrichting in Saint-Rémy-de-Provence niet zelf het schetsboek en enkele andere geleende spullen naar het echtpaar Ginoux terugbracht, maar het liet bezorgen door dokter Rey, met wie Van Gogh contact had in Arles. Welsh veronderstelt dat het boek per ongeluk is teruggezet tussen andere kasboeken en zodoende jarenlang niet is opgemerkt.

Pas bij bombardementen in 1944 kwam het schetsboek weer tevoorschijn, maar in het Gele Huis. Hoe dit precies in zijn werk is gegaan, is niet helemaal helder, maar kennelijk is het boek regelmatig met de inboedel meeverhuisd naar een ander pand. Toen het schetsboek eerst in 1944 weer werd opengeslagen, had men geen flauw idee wie de maker zou kunnen zijn en belandde het opnieuw ergens in een boekenkast. Totdat Bogomila Welsh het onder ogen kreeg. Zij dacht meteen aan Van Gogh als de maker.

Bij het schetsboek bevond zich een fragmentarisch notitieboekje, een soort agenda of werkboekje van een medewerker van Café de la Gare, die daarin aantekeningen maakte voor zijn baas over leveranciers, betalingen van klanten, transporten van bagage van en naar het treinstation en meer van dergelijke zaken. Op een van de bewaard gebleven bladzijden, met datum 20 mei 1889, staat de volgende notitie: ‘Mr dokter Rey heeft achtergelaten / voor Mr en Mevr Ginoux / namens de schilder Van / goghe lege olijfdozen / 1 pak geruite theedoeken / en een groot tekeningenboek / en excuseert zich voor de / vertraging’.

Elders in het notitieboekje staat dat Van Gogh na vertrek uit het Gele Huis zijn meubels had laten opslaan in Café de la Gare. Al met al voor Welsh genoeg reden om niet te twijfelen aan de toeschrijving van dit schetsboek aan Van Gogh. Blijft natuurlijk de vraag waarom Van Gogh het schetsboek heeft weggegeven (of teruggegeven) en niet zelf heeft gehouden. Dat zou hij volgens haar hebben gedaan als dank voor hun steun en vriendschap.

Facsimile
Het nu verschenen boek bevat foto’s van alle bewaard gebleven bladzijden uit het notitieboekje. Dat komt wat overdreven over, maar Welsh schetst aan de hand van al die aantekeningen een beeld van het leven in Arles rondom Café de la Gare. Daarna volgen hoofdstukken over het schetsboek dat door haar het Album Ginoux wordt genoemd, of ook wel de ‘brouillard’ (het grootboek of kasboek). Het kasboek meet 40,5 bij 26 cm. Het is een staand model, maar de meeste tekeningen zijn gemaakt in liggend formaat. Het boek bevat foto’s van alle 65 tekeningen, ook van de achterkant waar hooguit wat doorgedrukte inkt op is te zien. Hiermee is dus een volledige facsimile gepubliceerd.

Tekening uit het ontdekte schetsboek.

Het interessantst aan de publicatie is het hoofdstuk Notities waarin Welsh de 65 tekeningen één voor één vergelijkt met tekeningen en schilderijen van Van Gogh met dezelfde onderwerpen. Ook zocht zij relaties met fragmenten in de vele brieven van Van Gogh (vooral aan zijn broer Theo) die bewaard zijn gebleven. Zodoende heeft ze alle tekeningen in chronologische volgorde geplaatst. Dat was nodig omdat op het moment dat zij het schetsboek in handen kreeg, alle bladen waren losgemaakt. Welsh voorzag de tekeningen in het boek zelf van titels en dateringen en – niet van ijdelheid gespeend – van een BW-nummering. Aan de hand van (bekende) tekeningen en schilderijen schetst ze een levendig beeld van het leven van Gogh in de jaren 1888, 1889 en 1890, de plekken die hij bezocht en de onderwerpen die hij vastlegde. We moeten daarbij dan wel aannemen dat de chronologische ordening die Welsh hanteert, ook de volgorde in het schetsboek was.

Jammer is dat Van Gogh in zijn brieven nergens repte over dit schetsboek. Wel plaatste hij regelmatig schetsjes in zijn brieven om te laten zien waarmee hij bezig was. Het Van Gogh Museum heeft alle brieven digitaal ontsloten (met vertalingen in het Engels). Alle brieven zijn dus via internet in te zien. Je kunt zelfs eenvoudigweg selecteren op brieven met schetsen en hoeft geen expert te zijn om te constateren dat de stijl van de tekeningen in het schetsboek afwijkt van de schetsen in de brieven. De tekeningen in het schetsboek ogen opvallend decoratief, vooral in de luchten. Het zou echter kunnen dat het tekenen met de rietpen een sierlijker stijl voortbrengt. Wat ook opvalt is dat de tekeningen in het schetsboek expressie missen. Dat zie je vooral bij de portretten. Deze zijn niet trefzeker en krachtig, eerder onbeholpen (vooral de neuzen en de handen). Waar we dat kunnen beoordelen, lijken de portretten in de meeste gevallen ook niet. Dat geldt ook voor een vermeend zelfportret.

Welsh haast zich te zeggen dat we de tekeningen in het schetsboek moeten zien als studiemateriaal, eerste notities waarna meer schetsen en eventueel een schilderij volgden. De tekeningen in het schetsboek waren feitelijk voor geen andere ogen bestemd dan voor die van Van Gogh zelf en dienden hem als geheugensteun. Gaandeweg het boek wordt het irritant dat ondanks haar zoektocht naar vergelijkende afbeeldingen, geen enkele tekening in het schetsboek qua compositie als voorbeeld diende voor een van de bekende schilderijen.

Vragen
Nog los van de kritiek die het van Gogh Museum ventileerde, roept het boek van Welsh vragen op. De belangrijkste is die naar het archiefmateriaal. In het boek wordt een mooi sluitend verhaal opgebouwd over de laatste paar jaar van het leven van Vincent van Gogh en de omgeving waarin hij die doorbracht, vooral in Arles. Welsh schetst hoe er nieuwe uitbaters en eigenaars in het Café de la Gare kwamen en identificeert ook andere personen die in deze periode een rol speelden. In haar voorwoord bedankt zij ‘Annabelle Ibghi, die met haar vakkennis inzake archiefonderzoek uitstekend werk leverde bij het uitpluizen van de bescheiden en voor wie geen vraag in verband met archieven te veel was’.

Sympathiek, maar wie is Annabelle Ibghi? Welsh licht dat niet toe en het internet geeft ook geen helder antwoord. Veel verder dan mogelijk de voorzitter van een regionale geschiedenisvereniging brengt Google ons niet. Dat zou een goede basis voor een dergelijk onderzoek kunnen zijn, maar bij een onderzoek waarvan zoveel afhangt, had Welsh deze medewerkster best wat beter aan de lezer mogen voorstellen.

Verwijzingen naar concrete archiefbronnen zijn in het boek uiterst mager. Sleutelfiguren als Louise en Gaspard Basso die het Café de la Gare in 1930 overnamen en daarmee zonder het te weten waarschijnlijk ook eigenaar van het schetsboek werden, lijken alleen in dit boek te bestaan. Waar het internet overloopt van genealogische websites, maakt er geen enkele melding van dit echtpaar. Een leesbare foto van een informatief archiefstuk was hier overtuigender geweest dan de vele foto’s van het Café de la Gare en de Place Lamartine die weinig informatie toevoegen.

Ook de rol van Franck Baille zou best enige toelichting verdragen. Hij is het die Welsh naar de anonieme eigenaar van het schetsboek leidde. Dan is het allicht nuttig te weten dat hij mede-oprichter en eigenaar is van L’Hotel des Ventes de Monte-Carlo, een veilinghuis voor kunst. Eerder was hij werkzaam bij een veilinghuis in Parijs en hij treedt op als expert bij rechtzaken. Als kunsthandelaar is hij gespecialiseerd in juwelen en schilderkunst van de negentiende eeuw, impressionisme en moderne kunst. Daar valt ook Van Gogh onder en dat roept een paar vragen op. Had hij zelf al een vermoeden over de tekenaar van het schetsboek? En is hij misschien ook degene die in 2008 en 2012 ‘kwalitatief hoogstaande foto’s van 56 van 65 van de nu gepubliceerde tekeningen’ aan het Van Gogh Museum voorlegde? (Zie het persbericht van dat museum hieronder.) Daar komen we dus niet achter, maar als hij hoopte het schetsboek nog ooit in Monte Carlo te mogen veilen dan had hij alle belang bij een bewijs dat dit echt werk van Van Gogh is.

Met al deze vragen staat niet vast dat Welsh ons een vervalsing heeft voorgeschoteld. Of dat zij zichzelf heeft laten inpakken en bedriegen, want als je maar graag genoeg wilt, kun je je zelfs als Van Gogh-specialist bij de neus laten nemen. Het was wel verstandig geweest wanneer Welsh deze vragen had voorzien en voor de lezer alvast van een antwoord had geformuleerd. Nu heeft zij de schijn tegen, ook wanneer zij eerder medelijden zou verdienen dan een publieke afstraffing.

Vincent van Gogh. Het omheinde korenveld na de storm, juni juli 1889. Van Gogh Museum, Amsterdam.

Kalenderplaat
Daarmee komen we ook op de rol van het Van Gogh Museum. Natuurlijk hoef je als museum niet elke kalenderplaat die als ‘echte Van Gogh’ wordt voorgelegd publiekelijk aan de schandpaal te nagelen. Maar als iemand op de proppen komt met bladen uit een schetsboek dan is het misschien toch wel zinvol om daarover ook iets te publiceren. De kans is immers groot dat zo’n aanbieder uiteindelijk ook wil verkopen en dan is het nuttig dat ‘de markt’ is gewaarschuwd.

Maar misschien zien we dat verkeerd, want de kunstmarkt vaart zeer wel bij bedrog en kunst is altijd waard ‘wat de gek er voor geeft’. Dergelijke achterdocht brengt ons echter ook in een spagaat. Gunt het museum de markt zijn opbrengsten, ook als die niet terecht zijn, of wil het museum wel degelijk het kaf van het koren (vals van echt) scheiden en zowel de kunstmarkt als de kunst zelf beschermen? De vraag blijft: waarom nu pas een persbericht, en waarom zo fel?

Nieuw licht?
Volgens Welsh werpt het schetsboek nieuw licht op Van Gogh als tekenaar. Het Van Gogh Museum verwerpt die stelling. Zoals gezegd kregen conservatoren van het Van Gogh Museum al enkele jaren geleden tekeningen uit het schetsboek onder ogen en wezen zij op stilistische gronden de toeschrijving aan Van Gogh af. Het museum omschreef de tekenstijl van de maker als monotoon, onbeholpen en krachteloos. Ook spreekt uit het schetsboek geen stilistische ontwikkeling. Volgens de conservatoren gaat het hier om tekeningen van een andere kunstenaar naar het werk van Van Gogh. Dat hadden we graag eerder gehoord.

Ook is er iets met de inkt. De bruine kleur inkt in het schetsboek komt overeen met de kleur inkt van aan Van Gogh toegeschreven pentekeningen. Volgens de conservatoren van het Van Gogh Museum verkleurt inkt onder invloed van daglicht. Het schetsboek is 120 jaar gesloten geweest. De inkt kan dus niet eenzelfde verkleuring hebben ondergaan. Ook dat roept vragen op. Welsh is opnieuw niet erg gedetailleerd, maar zegt wel degelijk het een en ander over de inkten die in het schetsboek zijn gebruikt, en ook over de manier waarop die verbleekt.

En zijn alle daadwerkelijk aan Van Gogh toe te schrijven tekeningen dan wel verbleekt door blootstelling aan daglicht? Dan heeft het museum daar niet goed voor gezorgd. Het valt toch aan te nemen dat ook die tekeningen in albums of mappen werden bewaard en dat de brieven netjes gebundeld in een doos of iets dergelijks zaten en niet decennia lang ergens uitgespreid op tafel voor het raam. Een minder opgewonden toon en meer inhoudelijke argumenten zouden de discussie goed doen.

Decoratief
Zijn er dan buiten dit schetsboek geen tekeningen van Van Gogh in een vergelijkbare decoratieve stijl? Ja, toch wel. Zelfs in de collectie van het Van Gogh Museum zijn er enkele te vinden. Net als de brieven zijn ook de tekeningen en schilderijen van deze collectie gedigitaliseerd en door iedereen op internet te raadplegen. Zie bijvoorbeeld Het omheinde korenveld na de storm of Korenveld met cipressen, beide uit Saint-Rémy-de-Provence, juni-juli 1889.

Het is aan de expert om uit te maken of de maker van genoemde tekeningen ook de maker van het schetsboek kan zijn. Het proces van toeschrijvingen en afschrijvingen van kunstwerken is een ‘never ending story’ en voer voor specialisten. Dat hebben we gezien bij Rembrandt en recenter bij Jeroen Bosch, maar dit geldt eigenlijk altijd. Corneille slaagde er zelfs niet in om in zijn eigen oeuvre echt van vals te scheiden, dus de kwestie is gecompliceerder dan ze lijkt. Het komt zelfs voor dat een kunstenaar medewerkers heeft die wereldwijd galeries en veilinghuizen langsgaan om zonder omhaal van woorden valse werken in beslag te nemen en eventueel ter plekke te vernietigen. Dat had Van Gogh bij leven nooit nodig.

Paul Signac, Cypres au bord de la Mer.

Maar er waren in de negentiende eeuw wel ook andere kunstenaars die een decoratieve stijl hanteerden. Zo maakte Paul Signac in de jaren negentig, maar misschien ook al eerder, decoratieve tekeningen in de stijl van Van Gogh. Die tekeningen lijken op de stijl van de maker van het schetsboek. Zie hiervoor de pentekening met cipressen (www.paul-signac.org/Cypres-Au-Bord-De-La-Mer.html) die Signac maakte. Signac bezocht Van Gogh op 23 en 24 maart 1889. Opvallend is dat Welsh hier geen melding van maakt, terwijl zij contacten met andere kunstenaars wel noemt. Maar waarschijnlijk was zij al zo gefocust op Van Gogh als maker dat ze andere mogelijkheden niet meer openhield.

Echtheidsvraag
Ondanks alle technische en natuurwetenschappelijke hulpmiddelen is de echtheidsvraag bij kunstwerken er nog steeds een van kijken en vergelijken, argumenten voor en tegen afwegen en dan een – uiteindelijk toch persoonlijk – oordeel uitspreken. Zo onwetenschappelijk als het is, blijft de kennersblik belangrijk in de kunstwetenschap. En alle wetenschap draait ook om ego’s, reputaties en geld dat binnengehaald moet worden om het onderzoek gaande te houden. Wat is er dan mooier om als twee gepensioneerde Van Gogh-kenners (Welsh en Pickvance) als laatste kunstje een volledig schetsboek uit de laatste jaren van Van Gogh aan de wereld te presenteren. Daar zijn kapers bij op de kust en ‘dus’ opereer je met onbekende medewerkers en zonder naar het Van Gogh Museum te stappen. Dat is immers de grootste kaper en ‘concurrent’ als het gaat om Van Gogh-specialisme.

Bernard Comment van de bekende Franse uitgeverij Le Seuil was zo overtuigd dat hij de collega-uitgeverij Abrams (Verenigde Staten), Knesebeck (Duitsland) en TerraLannoo (Nederland) wist over te halen tot een gelijktijdige publicatie in vier talen. En de wereld stond inderdaad versteld, maar niet zoals Comment en zijn mede-uitgevers hadden gehoopt en verwacht. Bij uitgeverij TerraLannoo in Houten waren ze zo verrast dat de redactie van Brabant Cultureel zelfs de vraag kreeg voorgelegd of ze nog wel een recensie-exemplaar wilde ontvangen na het vernietigende bericht uit Amsterdam. Zelfs uit de email bleek dat er verslagenheid heerste.

Notitieboekje
Het notitieboekje waaraan Welsh haar historische ‘bewijs’ ontleent, ‘lijkt niet betrouwbaar’ zoals het Van Gogh Museum stelt. Het museum kreeg er in 2012 vier pagina’s uit te zien, waarvan er nu twee niet in het boek van Welsh zijn opgenomen. En dat terwijl die toch pretendeert alle 26 overgebleven pagina’s in haar boek te laten zien. Dat is vreemd, zeker wanneer het museum beweert dat op een van de twee nu ontbrekende pagina’s een verwijzing naar Van Gogh stond die nu ineens op een andere pagina opduikt.

Wie goed naar de gereproduceerde pagina’s kijkt, merkt nog iets anders vreemds: de pagina’s worden door Welsh op chronologische volgorde gepresenteerd – wat logisch is voor iets wat fungeerde als een dagboekje – maar het is afbeelding 11 (pagina 10 van de overgebleven pagina’s) die aansluit op het achterplat van het boekje (zoals te zien op afbeelding 28). Zijn de andere pagina’s los, en dus ook los gefotografeerd, of klopt de volgorde niet? Ook hierover zou een opmerking niet hebben misstaan. Bij alle schijn van nauwkeurigheid laat Welsh de lezer achter met veel losse eindjes en vragen zonder antwoord.

Cartoon Paul Kusters.

Echt?
Of het schetsboek echt van Van Gogh is, of dat iemand anders het maakte, is niet aan ons om te beoordelen. Het is echter ook te simpel om ervan uit te gaan dat een verklaring van het Van Gogh Museum voldoende is om dit af te doen als een vervalsing. Los van alle expertise die dit museum wel degelijk in huis heeft, blijft dit immers toch ook een gezagsargument en dat is nooit sterk.

Bovendien wordt dit boek niet minder interessant wanneer we aannemen dat Van Gogh niet de tekenaar is. Want wie is dat dan wel? En is hier opzet in het spel? Vervalsers zijn meestal toch erg goed in hun werk, anders wagen ze zich niet aan een naam van Vincent van Gogh. Dus de vraag is of we hier werk hebben van een laat negentiende-eeuwse navolger à la Signac en een paar gerenommeerde kunsthistorici die zich hebben laten verleiden tot een tunnelvisie en die dus vooral het slachtoffer zijn geworden van hun eigen enthousiasme? Hoe zit het dan met het notitieboekje, en – niet de minste vraag – wat is de rol van kunsthandelaar Franck Baille in dit geheel?

Ondanks dat in de media de storm rond dit boek snel inkromp tot een glas water en iedereen weer zelfgenoegzaam op zoek ging naar nieuw nieuws blijft Het verloren schetsboek uit Arles vooralsnog een puzzel die niet is opgelost. Niet door Bogomila Welsh-Ovcharov, maar ook niet door de autoriteit van het Van Gogh Museum. De opgeworpen vragen zijn terecht, maar er moet nog een antwoord komen op de vraag wat dit schetsboek dan wel is. Wie het heeft gemaakt, wie het web van argumenten pro Van Gogh er omheen spon en met welk doel al deze moeite is gedaan. De hamvraag, kortom, is nu: is mevrouw Welsh slachtoffer of medeplichtige, of – laten we dat vooral nog open houden – deed zij toch de ontdekking van de eeuw.

Bogomila Welsh-Ovcharov, met een woord vooraf van Ronald Pickvance, Vincent van Gogh. Het verloren schetsboek uit Arles. Houten: TerraLannoo 2016, 280 pp., ISBN 978-90-820-7492-5, hb., € 69,00.
www.lannoo.com  www.terralannoo.nl

Ga hier naar de integrale reactie van het Van Gogh Museum.

 

© Brabant Cultureel – december 2016