Nog altijd heerst het vroom katholicisme in Slowakije

door Camiel Hamans

Geloof hult zich in vele gedaanten. Op de stoep van de kleine katholieke universiteit in het Slowaakse Ružomberok lijkt religie eerder op de vlucht te slaan. Een manshoog beeld van de Poolse Paus JP II alsof hij in Zeeuwse klederdracht geposeerd heeft en gedragen door de zijflappen van zijn hoofddeksel zo meteen het luchtruim zal kiezen. Het blijkt echter slecht getroffen schijn. De Roomse waarheid staat in dit noordelijke deel van Slowakije als een huis.

Er worden Nederlandse Dagen georganiseerd door de universiteit om de kleine studierichting Nederlands wat meer onder de aandacht te brengen en dus wordt er een Nederlandse spreker ingevlogen. “Of hij naast zijn college over Nederlandse en Vlaamse taalpolitiek ook nog een wat luchtiger verhaal kan presenteren”, vraagt de plaatselijke hoogleraar. “Misschien iets dat de aandacht weet te trekken van andere studierichtingen en wellicht zelfs van de pers. Wel graag iets specifieks Nederlands. Dus misschien iets over drugs, abortus, euthanasie of homoseksualiteit?” Het wordt de veranderende opvattingen in Nederland over de gelijkslachtige liefde. Beginnend bij de Utrechtse homovervolgingen van 1730 en de twee dozijn slachtoffers van de Groningse grietman Rudolf de Mepsche, die in dezelfde jaren de een na de andere vermeende beoefenaar van de tegennatuurlijke liefde gerechtelijk liet wurgen, en uitmondend in de Gay Pride en het homohuwelijk.

Regout
De zaal zit redelijk vol. Wat studenten, veel docenten en een cameraploeg van de opleiding journalistiek. Er heerst een wat zenuwachtige stemming als het college begint, zeker als het licht op halve sterkte gaat om de geprojecteerde plaatjes beter uit te laten komen. De decaan die de moeite heeft genomen om zelf te komen luisteren, geeft naderhand te kennen opgelucht te zijn. Alleen maar foto’s van historische figuren die van belang geweest zijn voor de erkenning van homoseksualiteit, van slachtoffers als de dichter Willem de Mérode en grenadier jonkheer Johan Hendrik Ram, innige vriend van Louis Couperus, en van een minister als Edmond Robert Hubert Regout die heel handig bij de behandeling van de zedelijkheidswetgeving een stiekem artikel 248bis de wet binnen heeft weten te smokkelen om minderjarigen tegen de verleiding door likkebaardende nichten te beschermen.

Gelukkig geen propaganda voor de herenliefde, want we “houden ons hier aan het woord van de Heilige Vader. Homofilie mag, maar wordt zonde als die in de praktijk gebracht wordt”. De plaatselijke hoogleraar Nederlands die terzijde staat, glimlacht veelbetekenend en laat naderhand het gedrukte programma van de Nederlandse Dagen zien. De voordracht over homoseksualiteit is op een apart, los vel aangekondigd, zodat dit in voorkomende officiële gevallen weggelaten kan worden en er letterlijk geen onvertogen woord meer in het boekje staat.

De synagoge van Dolny Kubin.

Hlinka
Na afloop van de voordracht vergezellen enige studenten de buitenlandse spreker op zijn tocht naar de plaatselijke bezienswaardigheden. “Moet hij niet naar de bergen van de Lage Tatra, naar de mooie skihellingen die al bijna klaar zijn voor het winterplezier? Of wil hij misschien een training bijwonen van het befaamde dameshandbalzevental? De vervuilende papierfabrieken of de leegstaande katoenmolen kan hij rustig overslaan.” Hij geeft de voorkeur aan gebouwen, aan het stadje en de historie. “Daar is toch nog wel wat van over?”

Inderdaad, ze wijzen hem het centrale plein waaraan een mooi neobarok raadhuis staat en een gotische kerk die in later eeuwen omgebouwd is tot een renaissancistisch bedehuis. Niet ver ervandaan vindt hij de voormalige synagoge, nu leeg, maar voor wie stiekem naar binnen weet te gluren nog steeds imponerend door het veelkleurige interieur en de magisch aandoende muur- en plafondschilderingen.

De studenten worden ongeduldig. Op en bij het plein is nog meer te zien, tastbare herinneringen aan de grootste zoon van Ružomberok, Andrej Hlinka, de vader van het Slowaakse patriottisme. Het plein blijkt zelfs naar hem genoemd. Zijn museum is echter leeg en verlaten. Waarom weten de jongelui niet. Een ondernemend meisje belt haar vader en komt na een uitvoerig gesprek terug met de suggestie dat wellicht de slechte naam die de volgelingen van de Hlinka Garde in dienst van het Derde Rijk opgelopen hebben, nu zijn vruchten afwerpt. Maar het blijkt opnieuw niet veel meer dan schijn.

Tragedie
Hlinka (1869-1938) wordt nog steeds vereerd. Letterlijk, want hij was niet alleen journalist, politicus, oprichter van een bank en een boerencoöperatie, maar vooral ook priester. En in die hoedanigheid staat hij gehuld in toog met paarse knopen in de kerken van het stadje waar hij geboren en gestorven is. De studenten herkennen zijn beeld direct. Het verhaal moet echter opgezocht worden.

Hlinka’s strijd voor het Slowaaks en Slowaakse autonomie in een tijd dat Slowakije deel uitmaakte van Hongarije, wordt nog steeds gezien als een heilige oorlog, leert het geschiedenisboek. Een strijd waarin de kerk een belangrijke, maar vaak tegelijk dubieuze rol speelde. In de vroege jaren van de negentiende eeuw was Hlinka bouwpastoor van Černová, nu een wijk, toen een straatje in een uitbreidingshoek van het opkomende industriestadje Ružomberok dat toentertijd op zijn Hongaars Rózsahegy heette of volgens de Oostenrijkse bazen van het Habsburgse Rijk simpelweg Rosenberg.

Hlinka wist voldoende geld bijeen te sprokkelen voor een kerk in de nieuwe arbeidersbuurt. Hij zou zelf assisteren bij de inwijding, was de bedoeling. Net ervoor had hij echter een paar felle anti-Hongaarse speeches afgestoken, hetgeen de bisschop die tot de Hongaarstalige elite behoorde, in het verkeerde keelgat schoot. Hlinka werd dus gepasseerd. Tot groot ongenoegen van zijn gelovigen, die daarom en masse de toegang tot de kerk blokkeerden voor de Hongaarse geestelijkheid die de ceremonie kwam verrichten. Ongehoord voor die dagen. En daarom werd de hulp van de gendarmerie ingeroepen. Die schoten vijftien protesterende Slowaken dood en verwondden er tientallen.

De ‘Tragedie van Černová’ bereikte vrijwel meteen de internationale pers, waar 27 oktober 1907 bijgeschreven werd als een dag van massaslachtingen. Hlinka’s naam was gemaakt. Hij werd leider van een politieke partij, van een jeugdbeweging en van een weerkorps. Die Garde heeft een aantal zwarte pagina’s aan de geschiedenis van Slowakije bijgedragen, komt de ondernemende studente op gezag van haar vader tussenbeide. Hlinka werd in zijn laatste jaren steeds meer een Italianiserend clerofascist, maar was zeker geen antisemiet. Onder zijn opvolger, de Slowaakse quisling en ook RK-priester Jozef Tiso, verwerd het korps evenwel tot een rabiaat antisemitische werktuig in de handen van de nazi’s.

Standbeeld van Andrej Hlinka.

Havel
Dat wordt in de geschiedenisboeken en de media niet ontkend. Maar als het gaat over de Hlinka Garde wordt liever het patriottische, anti-Hongaarse programma van het keurkorps benadrukt. Zoals die keer toen de nog gezamenlijke Tsjechisch-Slowaakse president Václav Havel in het naburige Dolny Kubin voor het eerst na de Val van de Muur een monument voor Holocaust slachtoffers kwam onthullen. De studenten raden aan dat mooie stadje, vijftien kilometer verderop, te bezoeken. Een docent met auto is de volgende dag zo vriendelijk als gids en chauffeur te fungeren. Unter Kubin, zoals het oude en mooie bergstadje indertijd heette, had in 1940 nog 245 joodse inwoners. Veertig jaar eerder waren dat er bijna vijftienmaal zoveel geweest. Het merendeel was intussen vertrokken, geëmigreerd naar de Nieuwe Wereld, het werk achterna en verhuisd naar de grote stad of op de vlucht geslagen voor dreigingen die al jaren in de lucht hingen. In 1947 waren er nog 27 joden over in Dolny Kubin.

Het communistische regime heeft zich daar nooit druk over gemaakt. Joden werden niet als aparte of speciale slachtoffers gezien. De Slavische volkeren hadden veel geleden, hun joodse huisgenoten eenvoudigweg ook. Dat beeld veranderde met het verdwijnen van het dialectisch historisch materialisme. Dus kwam Vacláv Havel 1 november 1990 graag naar Dolny Kubin om een plaquette te onthullen voor de slachtoffers van de Duitsers én hun Slowaakse bondgenoten. Die kwam te hangen op de muur van de voormalige synagoge, een wit Art Deco bouwwerk afgewerkt met hemelsblauwe lijsten. Net terzijde van het stadsplein waaraan zowel een trotse katholieke als een Lutherse kerk prijken. Havel werd opgewacht door een groepje Slowaakse nationalisten, gehuld in de Hlinka-dracht.

Giftig mengsel
De president, herinnert de docent zich beschaamd, keerde zich in zijn toespraak tegen het giftige mengsel van Slowaaks nationalisme en antisemitisme. Dit naar aanleiding van een juist tevoren verschenen artikel in een nationalistisch georiënteerde Slowaakse krant waarin Charta 77, het manifest van de Tsjechische dissidenten die zich tijdens de hoogtijdagen van de communistische onderdrukking tegen het regime gekeerd hadden, een complot genoemd werd van een Joodse Vrijmetselaarsloge, de KGB, de Tsjechische geheime politie en de Israëlische Mossad. Terwijl Havel op de hem eigen, emotionele wijze opriep tot verdraagzaamheid en tot het eren van de nagedachtenis van hen die vanwege een ander geloof of andere afkomst omgebracht zijn, probeerden de neo-Hlinka-gardisten hem te overstemmen met anti-Hongaarse leuzen en oproepen. In de oostelijke dorpen en steden van Slowakije waar de Hongaren in de meerderheid zijn en het Hongaars daarom als taal geaccepteerd is, moest het gebruik van een andere taal dan het Slowaaks verboden en zo mogelijk uitgeroeid worden. Zover was Hlinka zelfs nooit gegaan. Maar het gebied in de Lage Tatra geldt nu eenmaal als de bakermat en het centrum van het Slowaaks zelfbewustzijn. Enige opstandigheid was daar gebruikelijk.

Dat bleek eveneens, gaat het verhaal van de begeleidende docent nu wat trotser verder, toen het volledige garnizoen van Dolny Kubin in augustus-september 1944 meedeed aan de Slowaakse Nationale Opstand. Die was bedoeld om het verradersregime van monseigneur Josef Tiso omver te werpen en vrij baan te geven aan het Rode Leger en andere geallieerden. De opstand mislukte jammerlijk en de Duitsers trokken voor de laatste maanden van de oorlog de touwtjes nog strakker aan.

In Dolny Kubin heeft de geur van verzet nog lang geheerst. Tijdens het communistisch bewind werd het garnizoen daarom gevormd door dienstplichtigen van besproken gedrag, veroordeelde dieven en moordenaars, kinderen van dissidenten en gewoon asociale types. Om te voorkomen dat zij hun rebelse geest in daden konden omzetten, kregen ze geen echte wapens. Er werd geëxerceerd met houten geweertjes, herinnert de intussen middelbare docent zich glimlachend.

Hlinka Guard

Hlinka Guard

Rozenkrans
Van die opstandige sfeer is noch in Dolny Kubin noch in Ružomberok iets meer te merken. In de katholieke kerken en op de universiteit is het oktober, rozenhoedjes worden gebeden, speciale Maria bedestonden worden aangekondigd en in de gang tussen de collegezalen schiet een prelaat in kazuifel een kapel in. Een paar studenten zitten al devoot geknield te wachten, rozenkrans in de hand, om de oproep van de negentiende eeuwse paus Leo XIII indachtig de Heilige Maagd te vereren met een speciaal rozenkransgebed.

In de supermarkt aan de overkant van de straat is schap na schap en meter na meter vrijgemaakt om een kolossale voorraad kaarsen, lampjes en lichtjes uit te stallen. Na 7 oktober, het Feest van Maria van de Rozenkrans, nadert immers 1 november. Dit jaar niet geagendeerd voor een speciale herdenking van joodse oorlogsslachtoffers, maar gewoon Allerheiligen en Allerzielen. Alle familiegraven dienen bezocht te worden en van herdenkingslichtjes voorzien. Aan de in Nacht und Nebel verdwenen joodse inwoners herinnert echter niemand meer. Sedert Slowakije de band met Tsjechië heeft doorgesneden lijkt er nauwelijks nog aandacht voor het joodse verleden. Er heerst nog slechts één geloof, dat van een vroom katholicisme. Op vrijdag geen vlees op het mensamenu, meldt de kantinebeheerder. Regelmatig te biecht, vertellen de studenten opgewekt, en gescheiden ouders die hun kind ten Eerste Communie presenteren, die zelf de eucharistie niet mee mogen beleven. Het geloof van het nog altijd eeuwigdurend gelijk.

 

Camiel Hamans (Herten bij Roermond 1948). Neerlandicus-taalkundige, journalist en politiek adviseur. Was als historisch taalkundige verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden, werkte als chef cultuur voor de KRO-Radio, was adjunct-hoofdredacteur van Dagblad De Stem in Breda, hoofdredacteur van Brabant Cultureel en directeur van de Anne Vondeling Stichting (te Brussel en Straatsburg). Momenteel is hij als hoogleraar Nederlandse taalkunde verbonden aan de Adam Mickiewicz Universiteit te Poznań, Polen.

 

© Brabant Cultureel – december 2016