Een prima ontbijt

Jan Vinks kan mooi vertellen over Tilburgse kunstenaars die hij gekend heeft. Inmiddels zelf bijna tachtig besloot hij die herinneringen op papier te zetten. Dit is zijn vijfde bijdrage.

door Jan Vinks

Toen Peter Thijs voor de derde keer de prijs van de Koninklijke Subsidie voor Schilderkunst had gewonnen, besloot hij te stoppen met het vrije schilderen. Meer kun je in dit land niet bereiken, was zijn nuchtere commentaar. De anderen gingen gewoon door, hopend op God weet wat. “De hoop is een prima ontbijt, maar onvoldoende om de rest van de dag te vullen”, aldus Joseph Brodsky, die het weer van een ander had.

Van Hans van Zummeren hoorde ik het volgende verhaal over de beeldhouwer Theo Stevens, die hem in totale paniek had opgebeld: “Kom direct naar mijn atelier want er is iets verschrikkelijks aan de hand.” En Hans, die ieder voorwendsel aangreep om de ellende van zijn eigen atelier te ontvluchten, spoedde zich naar Theo. Hij trof hem aan, bleek als een blok zandsteen, zittend in het midden van de ruimte. “Doe de deur gauw op slot en geef mij de sleutel.”

“Wat zijn de problemen?”, vraagt Hans nieuwsgierig.
“Ine is weggelopen.” Ine was zijn vrouw.
“Nou”, zegt Hans die soortgelijke stappen overwoog, “en?”
“Bel haar op en zorg dat ze terugkomt.”
“Ha ha, ik niet”, zegt Hans.
“Luister goed”, dreigt Theo, “hier onder mijn stoel liggen vier staven dynamiet. Zie je deze aansteker? Wij gaan samen de lucht in als jij niet doet wat ik zeg.”

Hans had geen keus, want als beeldhouwer kon Theo waarschijnlijk aan dynamiet komen. Piepend en smekend stond hij te bellen en Ine kwam terug. Maar niet voor lang.

Jaren later ontmoette ik haar weer eens. Bontkraagje, zwarte ogen, romantisch en onverwoestbaar. “Weet je het al van Theo”, vraagt ze. “Hij ziet niets meer, hij is bijna blind, hij zal nooit meer werken.” Ine kon zo’n diagnose verwoorden met de bekoring van een ‘Aufforderung zum Tanz’.

Rob Verbunt was ooit een wonderkind. Ik zag eens een foto waarop hij, tien of elf jaar oud, in korte broek achter de ezel, een zeer gelijkend portret stond te schilderen. Wat een talent. Hij werd portretschilder met als specialiteit bisschoppen en kinderen. Vrouwen gingen hem minder af.

Eenmaal per week gaf hij schilderles aan amateurs. Onder hen bevond zich een bekende architect die enkele jaren in Frankrijk assistent van Le Corbusier was geweest. Die man kwam altijd binnen met de geoefende tred van de ex-profvoetballer die voor de aardigheid nog een balletje trapt met de jongeren. Hij schilderde steevast een fraaie opzet, vlot en raak schetsend, maar begon dan na een minuut of tien te knoeien. Rob snelde toe en wist met handige correcties de zaak weer overeind te krijgen.

Hierna kwam de fase dat hij, zoals een Don Quichotte de windmolens, met zijn penseel het doek te lijf ging. Rob slaagde erin om hem voorlopig te kalmeren. Ten slotte mislukte het werk definitief toen hij als een roulettespeler die de inzet verdubbelt, het weinige dat restte ook nog kwijtraakte.

Na de les dronken we een glas en Rob vroeg mij: “Jan, snap jij daar nou wat van?”

“Van wat?”
“Dat van Le Corbusier”, antwoordde hij giechelend.

Zoals Thetis haar zoon Achilles in de Styx dompelde om hem onkwetsbaar te maken, zo ook stuurde de moeder van Ad Willemen haar jonge zoon naar het seminarie om hem te vrijwaren van maatschappelijk onheil. Maar Ad verliet het seminarie al snel en werd graficus en leraar, kunstenaar en docent.

In 1986 eerde de Nieuwe Brabantse Kunststichting hem met een mooie catalogus en dito expositie vanwege ‘de schitterende resultaten van een vijfentwintigjarig kunstenaarschap’. In 2013, na nogmaals vijfentwintig jaar kunstenaarschap en even schitterende resultaten, werd bij hem een onbehandelbare hersentumor vastgesteld.

Het verlaten atelier van de Tilburgse kunstenaar Ad Willemen. Foto Joep Eijkens.

Het verlaten atelier van de Tilburgse kunstenaar Ad Willemen (1941-2013). Foto Joep Eijkens

 

Met het verzoek om een afscheidsexpositie te organiseren ging Ad naar dezelfde stichting, die inmiddels opgesierd was met een nieuwe naam: brabants kenniscentrum kunst en cultuur. Terwijl Ad de lengte van zijn kunstenaarsverleden en de kortheid van zijn toekomst onder de aandacht probeerde te brengen, bekeek de zittende functionaris geboeid het computerscherm voor zich. Tenslotte keek hij op en antwoordde: “Op dit moment zie ik geen ruimte voor een expositie, maar zodra we iets met pornografie gaan doen, hoort u van ons.”

Toen Ad zichzelf weer onder controle had, ging hij naar de pastoor van de Heikese kerk en samen ontwierpen zij een uitvaart. Het werd een grootse plechtigheid, de zon scheen door de gebrandschilderde ramen, het koor zong Pergolesi, de kerk zat stampvol en bij de gang naar het kerkhof moest politie het verkeer regelen. De moeder van Ad kon alsnog tevreden zijn.

© Brabant Cultureel – oktober 2016