Bariton Marcel van Dieren: ’Zingen is hetzelfde als in je blootje staan’

Voor baritons is in opera’s vaak de rol van slechterik weggelegd. Bariton Marcel van Dieren (47) heeft er geen moeite mee. Recent kroop hij bij Opera Spanga in de huid van de legendarische MacBeth. Een gesprek over wrede en wijze rollen, over de onderwaardering van de operette en zijn stijgende reputatie. ‘ Ik ben een laatbloeier’.

door Joke Knoop

Bariton Marcel van Dieren (47) heeft er net een schurkenrol opzitten. Hij speelde in de tweede helft van augustus MacBeth in het door operaliefhebbers gewaardeerde Spanga. In het verschiet ligt het Deutsches Requiem van Brahms. Ongetwijfeld komt er nog het een ander bij in zijn agenda, want langzamerhand is Van Dieren een gevraagd man, onder andere door Opera Zuid. “Ik kom nu in een fase waar ze me wel weten te vinden”, constateert hij. De Tilburgse bariton is veelzijdig. Hij is thuis in zowel opera, musical, operette als oratoria. Zijn repertoire strekt zich uit van Bellini tot Zimmerman. Of opera zijn grote liefde is? Nee, want Marcel van Dieren is alles behalve monogaam in zijn muzikale liefdes. “Bij de opera is de combinatie van zingen en acteren iets bijzonders. Ik vind dat mooi. Bij liederen komt de muziek intenser binnen, daar ben ik heel gevoelig voor.” Een voorkeur voor een bepaalde rol wellicht? Wederom een ontkennend antwoord. “Ik verheug me altijd op een nieuwe rol, of dat nu de hoofdrol is of een kleine rol.”

Operazanger Marcel van Dieren op Centraal Station Tilburg. Foto Joep Eijkens.

Operazanger Marcel van Dieren op Centraal Station Tilburg. Foto Joep Eijkens.

In de opera is de rol van de bariton vaak beperkt tot de kwaaie pier. Gechargeerd: tenor en sopraan zijn stapelverliefd op elkaar en de bariton steekt daar een stokje voor.
Marcel van Dieren lacht: “Maar daar kun je iets interessants van maken, het kan een verhaal zijn met veel lagen.”

En toch: bassen en baritons zijn de slechteriken in het verhaal…
“… en ook vaak de oude en wijze mannen. Door het ouder worden, komen voor mij ook die rollen. Slechteriken zijn trouwens heel leuk om te spelen. Nee, ik heb geen moeite om me in te leven. En ja, dan moet ik op zoek naar het slechte in mezelf.”

MacBeth, de rol die u bij Opera Spanga had, is een tiran. Vindt u dan de tiran in u zelf?
Van Dieren vergoelijkt de daden van MacBeth: “Hij wordt opgestookt door zijn vrouw. Hij is minder slecht dan Lady MacBeth. MacBeth is een man die gek is op zijn vrouw. Toch moordt hij in koelen bloede om zijn eigen macht te vergroten. Dat is moeilijk te vinden in mezelf. In de regie in Spanga was MacBeth erg seksueel gedreven. Aanvankelijk herkende ik weinig in mezelf van deze MacBeth, maar gaandeweg kwam hij steeds beter binnen. Het leuke is dat je altijd zoekt naar de MacBeth. Elke uitvoering weer die telkens anders is dan de vorige.”

U moet op het podium de woede in uzelf opwekken.
“Dat heb ik geleerd bij de musicalopleiding. Daar werkten we heel fysiek. Bijvoorbeeld hard lopen en keihard tegen de verwarming rammen. Emotie kun je ook opwekken vanuit het fysieke.”

Kan iemand in een slechterik veranderen als het leven hem toelacht?
“Dan gaat het juist beter en ben je een betere slechterik. Als je slecht in je vel zit, kun je je moeilijk open stellen. Uiteindelijk is het gevoel in het moment zelf.” Emotie, zo legt Van Dieren uit, gaat niet op de loop met hem. Maar soms moet hij ‘even slikken’. Zoals bij Madame Butterfly. Op het moment dat het kind van de geisha op hem afloopt. Hij is Sharpless, de Amerikaanse ambassadeur die tegen het huwelijk is tussen de geisha en de Amerikaanse soldaat (de vader van het kind).

Acteren en zingen moeten soms in schier onmogelijke houdingen: zingen terwijl de zanger op zijn buik ligt.
“Dat is tevoren uitvinden of je dat lukt en proberen. Soms kan je dat niet en dan overleg je met de regisseur over een andere positie. Ik kan in gekke posities zingen. In La Bohème til ik een meisje van twaalf jaar op terwijl ik zing.” 

Opera heeft te lijden onder een ouderwets imago. Menigeen heeft het beeld voor ogen van zangers die niet bewegen tegen een decor van bordkartonnen bomen en kastelen.
“We noemen dat ‘park and bark’. Dat is traditioneel en niet per se slecht. Het gaat om het verhaal. De andere zijde is conceptregie (waarbij het regieconcept domineert boven het verhaal, red.). De Nederlandse Opera (DNO) bijvoorbeeld is niet traditioneel en werkt met conceptregie. In Duitsland gaat de conceptregie soms erg ver, waardoor het verhaal verloren gaat. Opera Zuid legt weer de nadruk op het verhaal.”

Operette zit ook in uw repertoire. Deze podiumkunst zit in de vergeethoek.
“En dat is jammer, want er zijn mooie operettes. Een operette is niet simpel, zoals vaak gedacht wordt. Het is juist een moeilijk genre met acteerwerk, met zang, dans en met gesproken tekst. Bij operette val je snel door de mand. Opera is daarmee vergeleken gemakkelijk: als de zangers een beetje acteren, redden ze het wel.” De operette heeft onterecht een suf imago. Vergeten? Misschien komt dat doordat het Nederlandse gezelschap, de Hofstadoperette al twintig jaar geleden is opgeheven.

Operazanger Marcel van Dieren. Foto Joep Eijkens.

Operazanger Marcel van Dieren. Foto Joep Eijkens.

De waterscheiding tussen opera en musical, kunst met een grote en een kleine k.
Marcel van Dieren schudt het hoofd: “De musical kent zo veel vormen. Er zijn heel mooie musicals, ook van klassieke componisten. Sweeny Todd, Les Miserables, Anatevka. Musicals met mooie melodieën en klassieke zangpartijen. Het grote verschil zit in de zangtechniek. Wij operazangers vullen de hele zaal met onze stem, in de musical werk je met een microfoon.”

Het lijkt alsof elke musicalspeler op dezelfde manier leert zingen: hard en hoog met een trillertje.
“Dat is het belten, hoog in het strottenhoofd met veel kracht. Ook dan kun je persoonlijkheid in je stem leggen. Klassieke zang geeft meer mogelijkheden om je eigen stemgeluid te ontwikkelen.”

Welke rol zou u willen spelen maar ligt buiten bereik van uw stem?
“Ik zou de jeune premier willen zijn, de stapelverliefde tenor. Ach, misschien is dat ook niet mijn type. Een tenor is kleiner en slanker van postuur. Een tenor zingt anders, hoog in de borst. De bariton haalt het diep beneden.”

Wat is uw gedroomde rol?
“Die heb ik niet. Ik ben altijd bezig met de rol die ik ga spelen en daar ga ik voor. Ik heb nooit blinde ambitie gehad om bijvoorbeeld ver naar het buitenland te willen. Ik werk om te leven. Ik ga graag na een optreden naar huis.”

Komt u uit een muzikaal gezin?
“Ik kom uit een familie waar feeling voor drama was. Ik heb neven die professionele acteurs zijn, mijn vader die in zijn vrije tijd aan cabaret deed, een zus van mijn moeder zingt. Geen gezin waar ik werd gepusht om deze kant op te gaan, maar ik heb wel altijd gezongen. Ik zat bij het kinderkoor van de katholieke Montfortkerk in Tilburg. Dat was in de jaren zeventig niet vanzelfsprekend; weinig mensen gingen nog naar de kerk. Wij werden in de buurt het jehovagezin genoemd. Ik ben tot mijn twintigste in het kerkkoor gebleven. Ik zat toen ook in het parochiebestuur. Ik ben afgehaakt toen ik me in een moeilijke periode niet gesteund voelde door de kerk. Maar ik ben blijven zingen: bij de Tilburgse Revue, bij BOeMS, bij amateurkoren.”

Laatbloeier
Als twintiger moet Marcel van Dieren zijn weg in het leven nog vinden. Na het Pauluslyceum probeert hij de pabo, een studie sociologie en journalistiek. Het wordt geen succes en Van Dieren gaat aan de slag als administratief medewerker bij ziektekostenverzekeraar CZ. “Een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken”, zegt hij over die periode. Hij besluit zich in zijn vrije tijd te bekwamen bij de MusicAllFactory in Tilburg. Daar leert hij dat zijn stem geschikt is voor opera. Op zijn dertigste zit hij tussen de eerstejaars van het conservatorium in Tilburg. Daarna gaat het snel: na twee jaar benadert Opera Zuid hem en gaat het balletje rollen. Naast zijn uitvoeringspraktijk is Van Dieren zangpedagoog. Hij kan er van leven. “Ik ben een laatbloeier. Op mijn dertigste naar het conservatorium, zes jaar geleden getrouwd (met pianiste Gabrielka Coult) en heb een dochter van vier jaar.”

Hoe omschrijft u zichzelf, nu als 47-jarige?
“Als positief, redelijk stabiel. Ik ben geen doemdenker.”

Wat zijn uw minpunten?
“Ik hou van werken, maar ik repeteer liever dan dat ik zelf instudeer. Daarin ben ik redelijk lui aangelegd. Ik heb andere mensen nodig voor de drive. Toonladders in de badkamer? Als ik thuis toonladders zou oefenen, ben ik al kapot voor het werk begint. Ik heb in het verleden wel eens ingezongen, maar ik ben daar niet zo goed in. Ik heb meer vertrouwen in mijn techniek op dat moment.”

Wat is uw advies aan jonge zangers?
“Hard werken en laat jezelf zien. Laat alle schroom los. Zingen is in je blootje staan. Je bent kwetsbaar en dat bedoel ik niet zozeer technisch. Een zanger is kwetsbaar in de emotie. Je moet jezelf kunnen openen om een oprechte klank naar buiten te brengen. Ik hoor het meteen, ook bij anderen, als daar een belemmering zit.”

 

Bariton Marcel van Dieren studeerde klassiek solozang aan Fontys Conservatorium in Tilburg bij Frans Fiselier. Daarna werd hij gecoacht door James McCray (leerling van Mario del Monaco) en sinds 2008 door de Nederlandse mezzosopraan Gemma Visser. Eerder studeerde hij aan de MusicAllFactory in Tilburg om zich te bekwamen in het musicalvak en kreeg privé zangles van o.a. Edward Hoepelman. 
Zijn operadebuut maakte Marcel van Dieren in 2005 met de rol van Mister Astley in de Prokofjev opera De Speler bij Opera Zuid. Daarna heeft hij vele opera-, operette- en musicalrollen gespeeld en gezongen bij onder meer Opera Zuid, Opera Spanga, het Productiehuis Jeugdconcerten Concertgebouw Amsterdam, Joop van den Ende Theaterproducties, Opera Nijetrijne, Barokopera Amsterdam en het Duitse Theater Hagen.

Hij speelde rollen als Giorgio Germont in La Traviata (Verdi), Marcello in La Bohème (Puccini), Sharpless in Madama Butterfly (Puccini), Ford in Falstaff (Verdi), Escamillo in Carmen (Bizet), Tonio in I Pagliacci (Leoncavallo), Aeneas in Dido and Aeneas (Purcell), Don Magnifico in La Cenerentola (Rossini), Tsaar Saltan in Tsaar Saltan (Rimsky-Korsakov), Don Alfonso in Così fan Tutte (Mozart), Eisenstein in Die Fledermaus (Strauss), The Beast in Beauty and the Beast (Menken) en Scar in The Lion King (John).

 Zijn repertoire omvat onder meer alle grote Bach-oratoria, de Requiems van Fauré, Duruflé en Brahms, Elias (Mendelssohn), Petite Messe Solennelle (Rossini), Die Sieben Worte Christi am Kreuz (Franck) en Via Crucis (Liszt). 
Ook heeft hij al vele liederencycli gezongen, in zeer diverse talen. Voorbeelden hiervan zijn Franse mélodies zoals Don Quichotte à Dulcinée (Ravel), maar ook de Poolse Trzy Piesni (Górecki), de Songs of Travel (Vaughan Williams) en de beroemde Dichterliebe (Schumann).

Naast zijn drukke uitvoeringspraktijk is Van Dieren actief als zangpedagoog.

 marcelvandieren.com