Wie is de bromtol in de nieuwe bundel van dichter Jace van de Ven?

De Tilburgse dichter Jace van de Ven heeft zijn achtste dichtbundel uitgebracht: ‘Bromtol?’ Let op het vraagteken. Dat intrigeert. Want is hij zelf die bromtol? Het gelijknamige gedicht, het laatste uit de bundel, geeft er een antwoord op. Het roept echter ook nieuwe vragen op. Want áls Jace van de Ven die bromtol is, waarom is dat dan zo? En: is hij een bromtol? Tijd voor een indringend gesprek met de literaire duizendpoot uit Tilburg.

door Rinus van der Heijden

Want duizendpoot, met letters, is hij. Naast dichter is Jace van de Ven journalist, columnist, prozaschrijver en schrijver van teksten voor theater en revue. Eenieder die een beroep op hem doet, krijgt handenvol van zijn specifieke lettercombinaties in de schoot geworpen. Maar laten we ons hier beperken tot de dichter Jace van de Ven. Hij die na zijn debuutbundel Mijn tragische ziekte en dood uit 1976 nu zijn voorlopig laatste, Bromtol? het levenslicht liet zien. Die ziekte en dood maken al geen al te positieve indruk, de bromtol evenmin. Is dit dichtersleven getekend door zwartgalligheid, door pessimisme, door het ontbreken van zon op je bol? Geenszins. De bundels van Jace van de Ven schetsen de fases van zijn leven. En ziekte en dood maakten er al op jonge leeftijd deel van uit.

“Ik had van mijn achttiende tot mijn vijfentwintigste jaar een existentiële angst voor de dood”, zegt hij daarover. “Dat uitte zich in hartkloppingen en vreselijke angsten om dood te gaan. Ik heb op zeker moment een psychotherapeut opgezocht, maar die kon mij niet helpen. ‘Ik kan jou de dood niet tonen’, zo zei hij. Toen besloot ik om literair dood te gaan met mijn eerste bundel Mijn tragische ziekte en dood. Dat boekje is een therapeutisch iets geweest.”

Angst
“Ik had in die jaren echt lijfelijk het gevoel dat ik elk moment kon sterven. Dat is pas overgegaan in 1977 toen ik bij Het Nieuwsblad van het Zuiden ging werken. Achteraf denk ik dat alles angst was, ik voelde dat waar ik was, niet de goeie plek voor me was, maar ik begreep dat nog niet. Overigens moet ik toegeven dat ik in die tijd – veel meer dan nu – vond dat ik een goeie dichter was. Achteraf zie ik dat ik destijds vaak wel erg veel registers opentrok, maar gelukkig heeft een onderliggende ironie me meestal wel gered van louter gebral. Al die destijds bekende dichters in Nederland vond ik maar niks. Of ze sindsdien beter zijn geworden, weet ik niet, want ik lees nauwelijks Nederlandse poëzie.”

"Meestal is er een zin die regelmatig in mijn geest blijft opduiken en op een gegeven moment ga ik zitten om te kijken hoe het na die zin verder gaat". Foto Gemma van der Heyden

“Meestal is er een zin die regelmatig in mijn geest blijft opduiken en op een gegeven moment ga ik zitten om te kijken hoe het na die zin verder gaat”. Foto Gemma van der Heyden

Jace van de Ven (1949) schrijft vanaf zijn twaalfde verhalen en gedichten. Niet als puber, want naar hij zelf zegt was hij ‘een late’, een die vanaf zijn vijftiende pas ging puberen. Waarom hij al zo jong ging schrijven, weet hij niet. “Er was altijd zo’n vaag gevoel, letterlijk in mijn onderbuik. En dan kwamen er zinnen naar boven die ik koesterde. Vaak bleken het later enorme clichés te zijn, maar ik vond ze prachtig.”

Inspiratie haalt hij uit alle hoeken en gaten. Naarmate hij ouder wordt, komt de inspiratie vooral uit dingen om hem heen. Daarmee mag hij vooral worden beschouwd als volksdichter. Verheven zaken als de liefde, het leven dat voor je ligt, dromen en inspiraties waren nooit zo aan deze dichter besteed. “De inspiratiebronnen zijn voor elke bundel verschillend geweest. Voor Mijn tragische ziekte en dood was er mijn eigen existentie. Aan Kroniek van verlangen lag een plotselinge verliefdheid ten grondslag. Een dagje aan/op/in het water gaat weer over existentiële vragen. Bezijden de Noordstraat wil een portret van Tilburg zijn. In Tilburger uit Enthousiasme staan gedichten die ik tijdens mijn stadsdichterschap maakte. En enkele eerdere waarvan ik net gedaan heb alsof ik ze toen ook gemaakt heb.”

Wielrennerij
Voorbij de Meet gaat over momenten uit de wielrennerij, voornamelijk de Tour de France. De weg ernaartoe is gebaseerd op vier fietstochten die ik met beeldend kunstenaar Walter Kerkhofs naar Griekenland maakte en vrij opzichtig is daar ook de eigen levenstocht in verwerkt. En Bromtol? veegt enkele gedichten bij elkaar die her en der verspreid zijn en vaak ergens zijn ingehouwen of opgeschilderd. Ook vraag ik me in de bundel af of ik wel een dichter ben, of een entertainer. Ik weet daar zelf geen antwoord op.”

Wat is van al deze bundels naar zijn eigen mening de beste? “Mijn tragische ziekte en dood is de moedigste. Die probeert oervragen te beantwoorden. Bezijden de Noordstraat is bescheidener. Die tracht niet anders dan de dingen om me heen zo aardig mogelijk te beschrijven. In alle andere bundels staan ook wel enkele gedichten waarvan ik hoop dat ze de moeite waard blijken te zijn.”

Wanneer is voor Jace van de Ven de tijd rijp voor het uitbrengen van een nieuwe bundel? “Ik mik een beetje op om de vijf jaar. Om wat rond te kijken wat er allemaal de moeite waard is om gedrukt te worden. Dan gooi ik heel wat weg of probeer gedichten waarvan ik vind dat er iets aan schort, bij te schaven. Over sommige twijfel ik zelfs nog als ze al gedrukt zijn: zijn ze wel de moeite waard? In de laatste bundel het gedicht Chef d’oeuvre bijvoorbeeld. Is het niet al te simpel? Waarom anderen ermee vermoeien? Het is natuurlijk nogal aanmatigend om jezelf als dichter te promoten en te verwachten dat je gelezen wordt. Zoals gezegd, lees ik zelf nauwelijks poëzie van mensen van wie niet al vaststaat dat ze grote dichters zijn. Al die anderen, waar ik er een van ben: wat voegen ze toe? Moet je ze lezen? Moet men mij lezen? Ach, zoals bekend zijn er meer mensen die gedichten schrijven dan lezen en ik ben één van die mensen.”

Veel tijd
Vijf jaar nodig hebben om een bundel uit te brengen, houdt dat in dat het schrijven van gedichten veel tijd vergt? “Jazeker. Meestal is er een zin die regelmatig in mijn geest blijft opduiken en op een gegeven moment ga ik zitten om te kijken hoe het na die zin verder gaat. Soms komt er niks, soms wel. Soms gooi ik dat ook weer weg. Alles bij elkaar duurt het baren van een gedicht wel een maand. Maar dan is er tijdens die maand natuurlijk niet steeds aan gewerkt. Laten we zeggen: een sessie of vier van gemiddeld twee uur met tussenpozen van een week. In tijden dat ik gedichten schrijf denk ik ook in termen van het dichten, maar er zijn ook soms maanden achtereen dat ik niets met dichten heb.”

Naast dichter is Jace van de Ven journalist, columnist, prozaschrijver en schrijver van teksten voor theater en revue. Foto Gemma van der Heyden

Naast dichter is Jace van de Ven journalist, columnist, prozaschrijver en schrijver van teksten voor theater en revue. Foto Gemma van der Heyden

Waarbij de vraag rijst wanneer deze dichter tevreden is met zijn geestesproduct. Met andere woorden: wanneer is zijn gedicht goed? “Wist ik dat maar. Uit ervaring weet ik, dat ik vaak meer complimenten krijg voor een gedicht waar ik lang aan gewerkt heb. Maar dat is ook weer geen wet van Meden en Perzen. Vaak ook vinden lezers een gedicht het best dat ik zelf niet zo goed vind. Ik weet het echt niet.”

Zijn er over het algemeen criteria waaraan een gedicht moet voldoen? “Lees maar, er staat niet wat er staat, is natuurlijk het belangrijkst. Er moeten altijd meerdere lagen zijn die zich bij herlezing laten ontdekken of in ieder geval laten vermoeden. Blijkt een gedicht na ampele herlezing nog niet meer dan het van het begin af aan leek, dan zou het wel eens niks kunnen voorstellen. Ook wegen woorden zwaar in een gedicht. Waarom nou juist dat woord terwijl je een ander had verwacht. Wat zegt het? Het mooist is het als je erachter komt dat elk ander woord op die plek misplaatst zou zijn geweest.”

Johan Stekelenburg
“Daarnaast moeten vergelijkingen kloppen. In een gedicht dat ik schreef na het overlijden van de toenmalige Tilburgse burgemeester Johan Stekelenburg, zeg ik dat we in een doolhof van verdriet staan die heel Tilburg verstrikt houdt in zijn netten. Daar zou ik als ik meer tijd had gehad, waarschijnlijk iets anders van hebben gemaakt. Een doolhof heeft immers geen netten. Maar nu ik het later terug zie, ben ik er toch tevreden over. Een doolhof van verdriet, dat is toch erg. En je kunt er niet uit. Wat ik eigenlijk op deze vraag over criteria zou moeten antwoorden: slechte gedichten zijn net als slechte popnummers, niet spannend, niet verrassend. En ze kennen geen geheimen, ze geven meestal alles meteen bloot wat ze hebben en over het algemeen is dat niet veel.”

Van 200 tot 2005 was Jace van de Ven de eerste stadsdichter van Tilburg. Hij ontpopte zich vanaf de start als de kunstenaar die dichtbij de mensen wilde staan. Hij bekleedde de functie van stadsdichter amper drie weken toen burgemeester Johan Stekelenburg stierf. De nieuwbakken stadsdichter creëerde een gedicht dat een prachtige necrologie werd voor een politicus met een menselijk gezicht. De naam van de stadsdichter was in één klap gevestigd; hij kreeg bergen complimenten over zich heen. Het gaf hem het zelfvertrouwen dat hij tot dat moment ontbeerde. “Vóór het stadsdichterschap noemde ik me nooit dichter, liever pseudoloog – gelogen wijsgeer. Er waren ten tijde van de BKR (toenmalige financiële regeling voor beeldend kunstenaars, rvdh) meer dan 250 professionele beeldende kunstenaars en nog geen vijf mensen die zich dichter noemden. Toch werden die dichters allemaal bekeken alsof ze in hun pubertijd waren blijven hangen en werden al die beeldende kunstenaars serieus genomen. Toen de BKR werd afgeschaft was tweederde van die serieuze kunstenaars opeens verdwenen.”

Nederlandse poëzie is niet zo aan Jace van de Ven besteed, buitenlandse wel. Sommige schrijvers ervan inspireerden de Tilburger zelfs. “De Metamorphosen van Ovidius die we op school vertaalden, vond ik prachtig. Ik verval bijna in clichés, maar dat geldt ook voor de sonnetten van Shakespeare. De lyrische gedichten van Vondel. En uit modernere tijden: de Spanjaard Federico Garcia Lorca, de Amerikaan William Carlos Williams, de Poolse Wislawa Symborska en de Ier Seamus Heaney.”

Gezworen
De schrijver van dit artikel en zijn onderwerp zijn al bijna veertig jaar gezworen kameraden. Ze kennen elkaar als ieders broekzak. Zo weet de auteur dat de dichter een blanke pit is in een ruwe bolster. Dat hij als een onbehouwen mens kan overkomen, maar tevens een klein hart heeft. Dat hij al voor zijn puberteit gedichten schreef en daarbij de liefde en meer nog de verloren liefde niet nodig had. Maar tevens dat zijn kleine hart hem vaak naar Franz Schubert voert. De Weense componist die met zijn liederen de romantiek terug voert naar de zo stormachtige en tegenstrijdige gevoelens van een beginnende puber. Zou het dan misschien mede daaraan liggen dat Jace van de Ven met zijn kleine hart door Schuberts romantiek werd geraakt en dat dit mede bijdroeg aan zijn leven als dichter?

Wat telt is dat Jace van de Ven een rijke bundel heeft toegevoegd aan zijn oeuvre.

Wat telt is dat Jace van de Ven een rijke bundel heeft toegevoegd aan zijn oeuvre. Foto Gemma van der heyden

“Met Schubert en mij ligt het ingewikkeld. Het begon allemaal met het lezen van het boek Onvoltooide Symphonie, een muziekbiografie voor de jeugd, geschreven door niemand minder dan de muziekhistorica Hélène Nolthenius. Dat pakte mij, omdat het met die dikkige jongen daar in Wenen altijd ‘net niet’ was. Hij werd net niet beroemd, kon net niet dat meisje krijgen waar hij zo verliefd op was, kreeg net niet het baantje dat hem wat geld had kunnen opbrengen. Et cetera. Pas later ging ik naar zijn muziek luisteren en herkende daar veel in van wat ik kennelijk door dat jeugdboek al wist. Heel veel ervan vind ik oprecht erg mooi. En ik ben niet de enige.”

“Veel van de teksten die Schubert op muziek zette, zijn nu verschrikkelijk achterhaald, maar vergeet niet dat het teksten van tijdgenoten waren, dichters die toen net als hij, juist begonnen te publiceren. Bij andere componisten zie je vaak dat ze teruggrijpen op lang bestaande teksten. Toen ik Schubert leerde kennen, was ik zelf ook nog een romanticus. Ik dacht zelfs dat je dat moest zijn, wilde je überhaupt kunst maken. Pas later heb ik me enigszins ontwikkeld, maar Schubert is altijd mijn jeugdliefde gebleven. Ik vergeef hem veel, maar kan ook geobsedeerd naar sommige stukken van hem luisteren, vooral als hij het geluk wil grijpen en er net niet bij kan.”

Rijk
Tot zover de dichter en de auteur én vriend die het nodig vond over hem te schrijven. Wij beiden denken dat u, de lezer, uit alle hierboven aangehaalde woorden kunt destilleren of de dichter de bromtol is uit zijn jongste bundel. Of dat belangrijk is? Welnee. Wat telt is dat Jace van de Ven een rijke bundel heeft toegevoegd aan zijn oeuvre. Een bundel met vijfentwintig  gedichten, waarvan één drieledig. Vijfentwintig blikken, waarvan sommige van een scherp kijkende observator, van een onschuldige voorbijganger, een doorleefde mens, een denker en wellicht van een hedendaagse Ovidius, die diens Metamorphosen vertaald en gedrapeerd heeft in een bundel die Bromtol? heet. Misschien dat onderstaande twee gedichten ervan getuigen: Brabant Sur Meuse en natuurlijk Bromtol.

 

BRABANT SUR MEUSE 

noord-brabants blokkenvlag
zijn velden rood zijn velden wit
zou moeten wapperen in dit
brabant, rue de la tannerie,
leerlooierij, kan het brabantser?
er is vast ook een weefgetouw
ze zijn oude familie brabant en
lotharingen, lothrijk zo u wilt

het is midzomerzonnewende
l’alouette, de leeuwerik, hangt
exultate jubilate boven het land
in het bos tiert le pinson, de vink
dat hij er ís, tí-tí-tí-tí-tí-tí-tí-tí-tí
eskrrwíííet, de zomerlucht trilt in
de verte terwijl de velden slapen

rond het goudgeel millepertuis,
ons jaagdenduivel, met al die
quasi gaatjes in zijn blaadjes
die je tegen het licht kunt zien,
grommen hommels en bijen, en
af en aan gaan zwaluwen naar
piepende nestjes onder de goot

hier vind jij je oude brabant terug,
vlag, spiegel van ongerepte velden
van roodgekleurde velden ook, niet
altijd gromden alleen hommels
piepten alleen de zwaluwjongen
hoe hard vink en alouette zongen
en sint janskruid op den duivel joeg
jouw wit en rood, onschuld en bloed

 

BROMTOL 

ik was het speeltje van de hele stad
een bromtol die kon worden opgewonden
door iedereen; ik draaide braaf mijn ronden
terwijl ik inert spon: een vette kat

maar zonder zelfgenoegzaamheid zodat
ik deugdzaam bloosde als zij het aardig vonden
die voor ons staan en altijd voor ons stonden
en altijd zullen staan, wie doet ze wat?

zo werd mijn kunst een kunstje, ik een nar
talenten uit mijn jeugd zo diep begraven
dat niets meer over leek dan een bizar
soort moppen die aan niemand aanstoot gaven

zich aanpassen in plaats van te ontwrichten
een bromtol zijn en opgeven van dichten

 

Bromtol?

Bromtol? door Jace van de Ven met illustratie van Ivo van Leeuwen,
vormgeving Chris Leenaars – ReflexBlue,
gezet in het nieuwe lettertype TilburgsAns.
Uitgeverij Brandon Pers. Oplage 150 ex. 28 pag. Prijs € 10,
te bestellen via
jacevandeven@planet.nl of via facebook.

© Brabant Cultureel – april 2016