Georgia on my mind

door Camiel Hamans

Donker is te weinig gezegd. Pikzwart is de diepe nacht als het vliegtuig landt. Buiten de beschaafde wereld bestaan er blijkbaar geen belemmeringen op aankomsttijden en offert de werkloze zijn nachtrust graag op voor een kleine bijdrage aan het bestaan. De landingsbaan is zwart, de tocht naar de aankomsthal ver en donker en de reisgenoten zwijgen somber. In het achterhoofd neuriet een melodietje: Ray Charles, ‘Georgia, oh Georgia, the whole day through, just and old sweet song keeps Georgia on my mind’.

Maar dit is het andere Georgië, dat van Tblisi, of zoals het vroeger heette Tiflis, suggestief rijmend op dreiging, angst en besmetting. Tblisi heeft zich daaraan ontworsteld. Wie zich een weg gebaand heeft door de hal met slaperige snorders staat buiten oog in oog met een immens billboard dat de komst, drie maanden geleden, van Armin van Buuren aankondigt. Ook de auto’s zijn eigentijds, zij het nauwelijks aangepast aan de regels van het verkeer. Een op de drie voertuigen blijkt het stuur aan de verkeerde kant te hebben, tweedehands geïmporteerd uit andere dan West-Europese landen. Nauwelijks Russische auto’s: toen Georgië zich in 1991 opnieuw onafhankelijk verklaarde en zij verzocht werden op te hoepelen, hebben de Russen alles meegenomen, auto’s, machines, energiecentrales, pijpleidingen, tot het laatste schroefje en elastiekje toe. Toch is Tblisi al weer een moderne stad, enigszins zoals Budapest en Warschau in de vroege jaren negentig.

In de boekhandel een prominente plek voor een biografie van Barça, Messi op de rug gezien op het omslag. De titel in het onleesbare spaghettischrift dat in Georgië autochtoon is, hoewel in de elfde eeuw door een naburige Armeniër ontwikkeld. Straathandel op de stoep voor een glimmend Gucci-modehuis en een chromen BMW-dealer, op de achterklep triktrak spelende taxichauffeurs die wachten op een vrachtje, door de straten rijdende, omgekatte westerse bedrijfsauto’s die aangeven dat hun vroeger leven zich afspeelde in de ‘voetzorg.nl/beweeg je vrij’ of in de rioolservice van de firma Gerritsen, maar die onder dwingend getoeter ingehaald en opzij gedrukt worden door limousines met geblindeerde ramen.

Buiten de grote stad staat het leven grotendeels stil: naast de obligate Bed- & Breakfast vertonen de dorpen het beeld van de gebroeders Grimm. Een oude vrouw die kalkoenen hoedt, een zeug die met een tros jonge biggen door het gras naast de weg schooiert, een oude koe die in de beginnende schemering met halfgevulde uier zelfstandig midden op straat naar huis loopt. Een driftige claxon leidt tot niet meer dan een opening van een paar centimeter op rechts. Blijkbaar is het gladde asfalt prettiger aan haar hoeven dan de ongelijke berm vol kuilen, gaten en stenen. En in het zuiden aan de Armeense grens moet de nieuwsgierige toerist zelfs door een enkel dorp waar alle modderige straten omgewoeld worden door varkens op zoek naar eetbaars. Maar tegelijkertijd noemt een kleermaker in een klein provinciegat zich ‘tailor’, zijn buurman oefent het negentiende-eeuwse vak van paraplureparateur uit. Daarnaast een stomerij die zich tooit met de titel European Dry Cleaning, een paar straten verder zit een handwerksman in een hokje dat geplakt zit onder de uiterste toegangsboog van een imposante officiële gevel. Op zijn anderhalve vierkante meter prijkt vol trots een bord ‘engraver. Koeien die ’s avonds van de gezamenlijke weidegronden naar huis gedreven worden dragen grote gele flappen in hun oor. De slager van hetzelfde dorp etaleert zijn vers geslachte waar onder een afdak aan de openbare weg. Overal op het platteland uitgewoonde, verlaten Russische benzinestations. Langs de weg her en der aftapkraantjes aan de roestige, bovengrondse waterleiding, zodat gezinnen zonder stromend water daar water kunnen halen.

Georgië buiten de steden is een land van roest, ruïnes en petflessen. Maar tegelijk van prachtige pronte, ronde kerkjes en kloosters. Bij voorkeur hoog op een bergtop, zodat de pelgrim zich in het zweet zijns aanschijns moet klimmen om vergeving te verkrijgen. Talloze kerkjes en kunstschatten uit de jaren dat in West-Europa Karel de Grote krijgshaftig werkte aan de eerste Europese eenwording. Vrijwel ongeschonden hebben deze monumenten doorgaans de tijd en het atheïstische communisme weerstaan. Als burchten kijken de kloosters op het aardse gewriemel van de valleien en dalen neer. Hoe indertijd de bouwmaterialen naar boven zijn gesjouwd, is een raadsel. Blijkbaar door een geloof dat bergen weet te verzetten.

Georgië blijkt zo spannend dat er verder op onderzoek uit gegaan moet worden. Op het vliegveld is nog een laatste ‘rental car’ beschikbaar. “Maar u blijft toch wel op de grote weg”, vraagt de verhuurster angstig? “Het voertuigje is niet gemaakt voor wildernis en bergen.” In het zuiden, aan de Azerbeidjaanse grens, moeten volgens het toeristenbureau spectaculaire holenkloosters zijn. Een ervan is zo de moeite waard dat een dagtocht ondernomen dient te worden. Reisgids en kaart wijzen de weg in het huurautootje. Op een gegeven moment stopt de weg, vlakbij een groot gebouw met een onduidelijke religieuze functie. Een groepje pratende mannen is met handen en voeten behulpzaam. Een jochie van een jaar of vijftien wordt meegezonden om de weg te wijzen. Die weet hij niet. Zonnebloem pitten spuwend, met gebaren om sigaretten vragend en verzoekend om zelf een stuk te mogen chaufferen zoekt hij een route door een verlaten industriegebied. De laatste resten Russisch vijfjarenplan steken als herinneringen aan het verleden uit de overwoekering omhoog. De vroegere weg slalomt nu tussen gaten, kuilen, poelen, kleine vijvers en keien door. Tot er helemaal niets meer is: een dorre steenwoestijn.

Gareja-klooster in Georgië. Foto Eurasia Travel

Gareja-klooster in Georgië. Foto Eurasia Travel

Het geluk is echter met de avonturiers. In de verte staat een jeep met mannen in camouflagekleuren. Het blijkt een gemengd Amerikaans-Georgische patrouille, voorzien van zwaar wapentuig en communicatieapparatuur. Zij hebben betere kaarten en wijzen de nieuwsgierige toerist een pad dat hoog de bergen in gaat, maar “blijft u vooral aan deze kant van de zandzakkenwering. Er kan geschoten worden aan de andere kant. Hoever? Zo’n kilometer of zeven. Normaal komen er geen burgervoertuigen, alleen militaire jeeps, maar als u het langzaam doet en niet te zeer op de steile zijkanten rijdt, dan lukt het wel.” Het jochie houdt het avontuur voor gezien, bietst een sigaret van een soldaat en neemt afscheid. Het pad is inderdaad meer geschikt voor militair materieel: keien, kuilen, rotsen, volgelopen wielsporen. Het stijgt, het daalt, het grenst rechts aan een zandzakkenwal en links aan een ravijn. Zenuwen. Zo erg dat er geplast moet worden. En dan staat er tussen het prikkeldraad ineens een bord: “Gevaar, niet verder gaan. Japan verleent hier bijstand bij het opruimen van landmijnen.”

Een kwartier later duiken er een paar verpieterde boompjes op in de steenwoestijn. In de verte gaat een herder met een kleine kudde. Er moeten dus plekken zijn waar iets groeit. Weer een half uur verder twee schuren met een oude auto. Daar stoppen en vragen. Twee jongere mannen zijn aan het werk. Eén spreekt wat Engels en legt uit dat zijn college trauma-arts in Tblisi is, die hier een schapenfarm wil starten. Buiten is het te winderig vinden ze. Dus mee naar binnen: thee, brood, worst, een omgewassen mok, een tafel vol vuile borden, in de hoeken bedden met wat onduidelijk beddengoed. Maar ze zijn een en al bereidwilligheid: “Mee-eten en dan gewoon rechtdoor rijden. De weg gaat wel heel steil omhoog daar, dus heel langzaam met het kleuterautootje naar boven klimmen, maar dan heb je ook wat.” Plots wordt de plastic voorhang voor de schuur opzijgeschoven, een stokoude, maar krachtige man komt binnen en begroet de bezoeker in het Duits. Dat heeft hij opgepikt toen hij ruim 65 jaar geleden dienst heeft moeten nemen in de Wehrmacht. Veel meer dan een begroeting heeft de tand des tijds niet overgelaten, maar wel veel vriendelijkheid.

De tocht naar het holenklooster eindigt succesvol. Inderdaad, “ça vaut un détour”. Maar waar komen die twee Duitse fietsers vandaan en dat busje uit Tblisi met luid sprekende Nederlanders? Een omweg blijkt veel eenvoudiger toegang te verlenen. Weliswaar ook voor een deel over een stenig pad, maar niet meer dan een kwartiertje. Vanuit de wijnstreek is het niet meer dan een uurtje om.

Die wijnstreek is net zo bijzonder. Prachtige, volle wijnen, maar ook volle wegen. Alsof er een bietencampagne gevoerd wordt, zoveel kiepkarren en zandauto’s vol druiven sukkelen over de weg. Tegelijk zoveel modder verliezend dat andere automobilisten moeite hebben het stuur recht te houden. Toch lukt het en de volgende dag staat een tocht vanuit het wijngebied naar het noorden op het programma. Via de militaire weg naar de grens met Rusland. De weg zou druk moeten zijn, want het is de enige verbindingsroute tussen de bevriende naties van Armenië en Rusland. Voor het zover is moet er evenwel een kleine 25 kilometer verbindingsweg afgelegd worden. Volgens de kaart een mooie, grote en nieuwe weg. Helaas, kaarten worden blijkbaar op de groei gemaakt. De weg is zelfs nog niet in aanbouw. Weer een stenen pad, maar deze keer druk bereden. Zo druk dat wanneer het speelgoedautootje in een gat blijft steken en een lekke band oploopt, twee jonge sterke Georgiërs uit een tegemoetkomende SUV meteen de pech verhelpen. Ze zijn wel enigszins bezorgd als blijkt dat de buitenlandse gast met dit autootje de militaire weg wil bereiken. Heel langzaam rijden, is het advies en misschien onderweg een vulkaniseur opzoeken om de band te laten repareren.

Toch lukt het om zonder verdere ellende het bergdorp aan de Russische grens te bereiken op ruim tweeduizend meter hoogte. De aanvechting om de belendende bergspitsen die tot wel ruim vijfduizend meter gaan te beklimmen, verdwijnt bij eerste aanblik. Van beneden krijgt de waarnemer al hoogtevrees. Wel moest natuurlijk de volgende ochtend weer een belangrijk kloostertje op een lagere bergtop worden aangedaan. Zonder Gods zegen zou de terugweg immers wel eens desastreus kunnen uitpakken. Na de klim moet er uitgeblazen worden. De plaatselijke cafés zitten vol met smokkelaars, geldwisselaars en ander obscuur volk. Er is één plek die eruit springt, een modern etablissement waar niemand zit. Misschien omdat de stofzuiger luid aanstaat. Maar die wordt meteen uitgezet als de gast binnenkomt. “Koffie? Natuurlijk, wilt u even wachten, want we moeten de espressomachine nog opstarten.” Intussen komt de dochter van de eigenaresse er bij zitten. “Waar komt de gast vandaan?” Holland? Dat kan niet waar zijn. Ze heeft drie semesters op het Conservatorium in Amsterdam gestudeerd. Ja, jammer genoeg niet afgemaakt. Zij ontmoette haar man en samen hebben ze besloten om van de ouderlijke kroeg een moderne zaak te maken. Maar ken ik haar Georgische vriendin niet? Die woont in Nederland en treedt op als concertpianiste. De website wordt getoond. Over een paar weken een concert in Maassluis en daarna een in Renkum en Sittard. De koffie is klaar en de belofte om de vriendin te mailen is gedaan. Afrekenen mag niet. De gast krijgt nog een appel mee voor onderweg.

Georgiërs delen alles, behalve het eeuwig leven. Op de begraafplaatsen heeft ieder zijn ruime eigen territoir, afgezet met kniehoge ijzeren hekwerkjes. Daarbinnen ruimte latend voor nog een toekomstige tweede en derde zerk, maar voorlopig slechts voor een bankje en paar lege vierkante meters waarop bezoekende familieleden kunnen uitrusten en zich vertreden.

Georgië is een land op zoek naar een toekomst, Georgië is een land op weg naar een nieuwe tijd, Georgia is on search to a mind.

 

© Brabant Cultureel – april 2016