‘De mensen die achterbleven’ debuut van Tilburgse schrijver Martijn Neggers

Martijn Neggers debuteerde onlangs als romanschrijver met een boek dat de werkelijkheid dicht op de huid zit, maar wel degelijk een roman is. Een roman zonder een “Grootsch Leven” en met het milde absurdisme dat in Tilburg thuis is.

door JACE van de Ven

Als een figurant in eigen leven: “We kijken naar elkaar, zonder zeker te weten wie er kijkt en wie bekeken wordt.” Het valt nog niet zo mee om een groots en meeslepend leven te leiden. Je bent een mens met je eigen beperkingen en kortzichtigheid. En wat is trouwens groots en meeslepend? Iedereen is waarschijnlijk veel meer een doorsnee burger dan hij zelf denkt.

Geïnspireerd
Ziedaar enige thema’s die aan de orde komen in de roman De mensen die achterbleven, het debuut van Tilburger Martijn Neggers (30). Het hoofdpersonage in de roman draagt dezelfde naam als de schrijver ervan. Diens antagonist, André van den Boogaart, is in Tilburg en omstreken een bekende sing- a songwriter en de echte Neggers en de echte Van den Boogaart kennen elkaar. Laten we daarom aannemen dat de karakters in het boek op de bestaande figuren geïnspireerd zijn, maar ze zijn het uiteraard niet, er staat roman op het boek. Heel veel mensen in het Brabantse weten dat J. Kessels ook echt bestaat en bevriend is met P.F. Thomése, maar ondanks gelijkenis is ook de J. Kessels uit de boeken van Thomése een andere dan de echte.

Neggers verhaal en zinnen hebben hier en daar wel wat van die van Thomése in de Kesselsverhalen. Ook heeft hij ongetwijfeld Ronald Giphard gelezen en Herman Brusselmans, maar hij beschikt voldoende over een eigen stijl om geen epigoon genoemd te hoeven worden.

Martijn Neggers. Foto Teis Albers

Martijn Neggers. Foto Teis Albers

Grootsch
In De mensen die achterbleven verhuist werknemer Martijn Neggers van een kantoorboekhandel in Valkenswaard naar het grotere Tilburg. Vol goede moed gaat hij op zoek naar zijn dromen en een “Grootsch Leven”. Maar al snel blijkt dat het leven niet echt op zoek is naar hem. Pas als hij oud is en er niets meer aan te doen is, realiseert hij zich dat het leven hem niets heeft gebracht. Dan besluit hij angstvallig zijn hele leven nog eens in detail de revue te laten passeren, hopend dat hij ergens iets over het hoofd heeft gezien, zich iets of iemand te herinneren die de moeite van het leven waard was.

De hoofdletters en de “sch” in de woorden “Grootsch Leven”, wijzen al meteen op de ironische inslag van het boek, alsmede op het milde absurdisme dat in Tilburg thuis is en dat zeker de mensen die zich in die stad met kunst bezig houden, uitstralen. Neggers niet minder. Hij lijkt zelf niet te geloven in de weinige initiatieven die hij neemt om dat grootse en meeslepende leven realiteit te maken.

Dat levert aardige beschrijvingen op van momenten uit het dagelijkse leven. Dat levert herkenning op, mededogen, en vaak, gelukkig, een spontane glimlach. Want Neggers kan goed schrijven, niet te “grootsch”, en met oog voor detail en ordening.

Ordening
Die ordening zien we ook terug in de constructie van het boek dat bestaat uit twee elkaar aanvullende verhalen. Maar één van die verhalen wordt geheel verteld aan de hand van door Neggers gerubriceerde ontmoetingen met andere mensen. Op geraffineerde wijze vormen al die aparte hoofdstukjes hun eigen doorlopende verhaal. In dat verhaal zijn er hoofdrollen voor Neggers kroegmaten André en Woef. Met de eerste van die twee belandt hij aan het eind in Berlijn, waar blijkt dat ook daar geen groots en meeslepend leven voor hen is weggelegd.

Op ongeveer tweevijfde van het boek voert André een verzonnen figuur op tussen een aantal echte. Martijn protesteert. André verweert: “Ja, nou en? Wat maakt het nou uit als het niet waar gebeurd is? Daar gaat het toch niet om? Het gaat om het principe. Jij wil groot leven? Nou. Daar ga je al de fout in. Zeg je fucking huis op, kom bij mij wonen – minder lasten, meer lusten! Laat je leiden door wat er op je pad komt. En zorg ervoor dat je altijd ergens wel een beetje in de knel zit. Echt gelukkig word je er niet meteen van, maar als dát is wat je wilt, dan moet je ervoor gaan ook. En af en toe door de lamellen door kijken naar de mensen die het zichzelf gemakkelijk gemaakt hebben. Je moet voorkomen dat je het jezelf gemakkelijk maakt, Neg. Voor je het weet zit je naar een cowboyfilm te kijken en val je halverwege een gesprek met je vrouw in slaap.”

En dat is ook echt wat Martijn waarschijnlijk gaat gebeuren. Zij het, in zijn geval dan, zonder vrouw. Geen groots leven voor hem, wel een scherpe blik voor de situatie van zichzelf en die van anderen. “We kijken naar elkaar, zonder zeker te weten wie er kijkt en wie bekeken wordt”, zegt hij tegen het einde van het boek. En zo is het. Neggers presenteert zijn Martijn Neggers als figurant in zijn eigen leven en alleen dat uitgangspunt maakt het boek al interessant. Dat doet verlangen naar een opvolger van De mensen die achterbleven, maar dan met een Neggers als toneelknecht in zijn eigen leven, of in een andere bijrol. Hopelijk nooit als regisseur. Het “wat nu, kleine man” is nu eenmaal boeiender als het “kijk mij nou eens”. En daarbij, Neggers kan het goed beschrijven, met meelij en afschuw, en onderliggende relativering en liefde.

Boekomslag De mensen Die AchterblevenMartijn Neggers, De mensen die achterbleven.
Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar 2016, 260 pp.,
ISBN: 9789038801582, pb., € 18,50 (e-Book € 10,99)

© Brabant Cultureel – april 2016