Tentoonstelling en boek over Bossche kunstschilder Arnold van de Laar 

In 1927 maakte Arnold van de Laar een kopie van het schilderij ‘De Kruisdraging’ van Jeroen Bosch, wat zich nu in de collectie van Het Noordbrabants Museum bevindt. Arnold van de Laar (‘s-Hertogenbosch 1886-Vught 1974) was kunstschilder en restaurator en was in zijn tijd vermaard om zijn kopieën van oude meesters. Kleinzoon Michel van de Laar, eveneens restaurator, spande zich in voor de realisatie van een boek en een expositie in Museum Slager in ’s-Hertogenbosch.

door Irma van Bommel

Het Noordbrabants Museum in ’s-Hertogenbosch beschikt zelf niet over werken van Jeroen Bosch (ca. 1450-1516), maar heeft wel een kopie in de collectie, De Kruisdraging, waarvan het origineel zich bevindt zich in het Museum voor Schone Kunsten in Gent. Vorig jaar heeft het Jheronimus Bosch Research and Conservation Project echter geconstateerd dat De Kruisdraging door een navolger van Jeroen Bosch geschilderd moet zijn en dus geen echt werk van de meester is. Daarom maakt het origineel geen deel uit van de grote Jeroen-Boschexpositie in Het Noordbrabants Museum. Maar de vraag hoe het museum aan de kopie is gekomen en waarom deze is opgenomen in de collectie blijft interessant. Evenals de vraag hoe kopieën van beroemde kunstwerken begin twintigste eeuw werden gewaardeerd.

Arnold van de Laar, ‘De kruisdraging’, naar Jeroen Bosch (1927), olieverf op doek, 75 x 82 cm. Ongesigneerd. Collectie Het Noordbrabants Museum, ’s-Hertogenbosch. Origineel (paneel) in het Museum voor Schone Kunsten, Gent (B), 76,7 x 83,5 cm.

Arnold van de Laar, ‘De kruisdraging’, naar Jeroen Bosch (1927), olieverf op doek, 75 x 82 cm. Ongesigneerd. Collectie Het Noordbrabants Museum, ’s-Hertogenbosch. Origineel (paneel) in het Museum voor Schone Kunsten, Gent (B), 76,7 x 83,5 cm.

Het Noordbrabants Museum is in 1925 opgericht door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, dat zelf al veel langer bestaat, namelijk sinds 1836. Dit genootschap wilde graag een replica van een werk van de beroemde Jeroen Bosch voor het museum, zodat in ’s-Hertogenbosch toch iets van de oude meester te zien zou zijn. Vrienden van het genootschap verzochten de Bossche kunstschilder Arnold van de Laar een kopie te maken van De Kruisdraging in Gent. In 1927 is het werk bij het negentigjarig bestaan aangeboden aan het Provinciaal Genootschap. Er waren zelfs plannen om alle werken van Jeroen Bosch te laten kopiëren en deze kopieën op te hangen in het nieuwe museum. Maar het zou bij De Kruisdraging blijven. Van de Laar kreeg veel waardering voor zijn versie.

Vermaard
Arnold van de Laar was vermaard om zijn kopieën van oude meesters. Ruim honderd werken heeft hij nageschilderd, sommige meer dan eens. Vanaf 1913 vertoefde hij regelmatig in het Rijksmuseum te Amsterdam, waar hij vooral schilderijen uit de zeventiende eeuw naschilderde. Het kopiëren van schilderijen was begin twintigste eeuw heel gebruikelijk, het maakte zelfs deel uit van de opleiding van de kunstacademie.

Arnold van de Laar, ‘Brabants wintertje, De boerderij van Piet Dielensen in Hintham’ (1925), olieverf op doek, Archief A. van de Laar, Den Bosch.

Arnold van de Laar, ‘Brabants wintertje, De boerderij van Piet Dielensen in Hintham’ (1925), olieverf op doek, Archief A. van de Laar, Den Bosch.

Arnold van de Laar had zijn opleiding gevolgd aan de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten te ’s-Hertogenbosch, waar hij les kreeg van onder andere Petrus Marinus Slager (1841-1912) en Piet Slager junior (1871-1938). Daarna was hij naar Brussel gegaan, naar de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, om zich te specialiseren in het restauratievak. Het bestuderen van de oude meesters was een goede oefening in het fijnschilderen, wat hem van pas kwam bij zijn restauratieopdrachten. Voor zijn vrije werk hanteerde Van de Laar een lossere toets. Het werken in het Rijksmuseum was wel aan regels gebonden. De kopiist moest zich laten registreren. Documentatie over welke schilderijen werden gekopieerd en door wie, werd door het museum nauwkeurig bijgehouden. De kopiist moest ook nog een ander formaat kiezen, zodat er nooit verwarring kon ontstaan tussen origineel en kopie en uiteraard om te voorkomen dat er vervalsingen op de markt kwamen.

Toen Van de Laar in het Rijksmuseum aan het werk was, kreeg hij aardig wat bekijks en waardering, wat hem nieuwe opdrachten opleverde. Want er was wel vraag naar die kopieën, zowel bij toeristen die een aandenken wilden aan het museumbezoek en welgestelde particulieren die een versie van een beroemd werk als statussymbool zagen, als bij verzamelaars ter aanvulling van de collectie en bij kerken en kloosters ter opluistering en ter devotie. Een bijzondere opdracht kreeg hij in 1921 van de Eindhovense sigarenfabrikant Henri van Abbe, grondlegger van het Van Abbemuseum, die een kopie bestelde van het beroemde Portret van de Engelse koning Karel I door Anthonie van Dyck. Van de Laar ging ervoor naar het Louvre in Parijs, waar het origineel zich bevond.

Kitsch
Na de Tweede Wereldoorlog nam de waardering voor replica’s van schilderijen drastisch af; ze werden beschouwd als kitsch. Authenticiteit werd voortaan hoger gewaardeerd. Het maken van kopieën werd in het Rijksmuseum ontmoedigd en op de kunstacademies maakte het naschilderen voortaan geen onderdeel meer uit van het lesprogramma.

Blik in het atelier van Arnold van de Laar met schilderij ‘Brieflezende vrouw’ naar Johannes Vermeer (1918). Foto Marijn Bax

Blik in het atelier van Arnold van de Laar met schilderij ‘Brieflezende vrouw’ naar Johannes Vermeer (1918). Foto Marijn Bax

Eeuwenlang was kopiëren de enige methode om geschriften en afbeeldingen te verspreiden. Denk ook aan de Middeleeuwse kopiisten die boeken overschreven. Het natekenen of naschilderen van afbeeldingen was heel gebruikelijk en diende behalve ter verspreiding van het beeld ook als oefening voor de kunstenaar. Allerlei grafische reproductiemethoden zorgden voor de verspreiding van beeld, maar dat waren geen goed gelijkende weergaven, zeker niet in kleur. Pas door opkomst van de kleurenfotografie in de jaren zestig en de fotomechanische reproductiemethode offset kwam definitief een einde aan de noodzaak replica’s te maken. Voortaan werden van kunstwerken facsimilé-uitgaven en reproducties gemaakt.

Kleinzoon Michel van de Laar en kunsthistorica Marga Altena hebben aan de hand van het archief van Arnold van de Laar en documentatie in het Rijksmuseum te Amsterdam onderzoek gedaan naar het fenomeen kopie in de kunstwereld, een onderwerp dat tot nu toe onderbelicht is gebleven. Ze hebben een boek en een expositie gewijd aan Arnold van de Laar, waar ook zijn andere werkterreinen aan bod komen: naast restaurator en kopiist verdiende Van de Laar de kost met het maken van portretten.

Bossche stadsgezichten
Daarnaast is ook zijn vrije schilderwerk te zien – in de stijl van de Haagse School schilderde hij Bossche stadsgezichten en boerderijen in de omgeving – en de foto’s die hij maakte ter ondersteuning van zijn schilderwerk en uit liefhebberij. De expositie is in Museum Slager op zijn plek, omdat hij goede contacten onderhield met de familie Slager. Zijn atelier in de Sint Jorisstraat is nog grotendeels intact en is voor enkele weekenden opengesteld voor publiek. In het atelier is tijdelijk een kunstinstallatie te zien van Marijn Bax.

De expositie Arnold van de Laar, Kopie versus Autonomie is t/m 1 mei 2016 te zien
in Museum Slager, ‘s-Hertogenbosch

www.museumslager.com

De multimediale kunstinstallatie Reflecties van Marijn Bax is t/m 20 maart 2016 (alleen za en zo) te zien in het voormalig atelier en woonhuis, Sint Jorisstraat 22, ’s-Hertogenbosch.

Duizend kunstenaar in Den Bosch

Marga Altena en Michel van de Laar, Een duizendkunstenaar in Den Bosch. Arnold van de Laar en de Brabantse kunstwereld (1886-1974), Delft (Academische Uitgeverij Eburon) 2016,
ISBN: 2109u21574358713487, 136 pp, € 19,95.

© Brabant Cultureel – februari 2016