Boek over de laatmiddeleeuwse elite van Breda verzandt in eigen onderwerp

Gedurende de laatste tien jaar van zijn leven deed Jacques van Hooydonk intensief archiefonderzoek naar de Bredase elite tussen ongeveer 1350 en 1550. Hij verzamelde erg veel materiaal, maar kwam nooit tot een afronding. Na zijn overlijden in 1999 kwam er met dit doel een stichting en nu, ruim vijftien jaar later is er eindelijk een boek. Helaas niet het boek waarvan Van Hooydonk zal hebben gedroomd.

door Lauran Toorians

Op 1 augustus 1403 trouwde de toen elfjarige Johanna van Polanen met Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg. Het huwelijk werd gesloten in Breda, waar het paar ook ging wonen en was voor beide families een soort noodgreep. Johanna was enig kind van Jan III van Polanen, heer van een enorm domein waartoe behalve een groot deel van het huidige West-Brabant (het ‘Land van Breda’) en de stad Breda, ook tal van andere verspreid liggende bezittingen behoorden. In Breda hebben nog steeds de Polanens de naam de stad groot te hebben gemaakt. Dat is maar gedeeltelijk waar. Jan III en zijn vader Jan II droegen de roem van Breda met verve uit en droegen daar ook aan bij met bouwprojecten en een dure levensstijl, maar de basis voor hun enorme rijkdom en grondbezit was gelegd door Willem van Duvenvoorde, een oom (halfbroer van zijn vader) van Jan II van Polanen.

Barend van Orley, Jan van Nassau te paard, met zijn vrouw Maria van Loon. Karton (ontwerptekening voor een wandtapijt), circa 1533. Particuliere collecte USA. foto uit besproken boek

Barend van Orley, ‘Jan van Nassau te paard, met zijn vrouw Maria van Loon’. Karton (ontwerptekening voor een wandtapijt), circa 1533. Particuliere collecte USA. foto uit besproken boek

De bruidegom Engelbrecht van Nassau – ruim twintig jaar ouder dan Johanna – was de jongste zoon van Johan I van Nassau-Dillenburg. Hij ‘moest’ trouwen omdat zijn beide broers er niet in slaagden kinderen te produceren. Hij gaf daarvoor een mooie kerkelijke functie op. Het niet kunnen krijgen van een wettig nageslacht was voor de adel en elite in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd een steeds terugkerend probleem. Een (adellijke) familie is een soort bv en die moet van generatie op generatie worden doorgegeven, liefst op een zodanige manier dat het aanzien en bezit van de familie bij elkaar blijft en wordt vergroot. Dat is de zin van het bestaan. Bij de Nassau’s en later ook bij de Oranja-Nassau’s lijkt dit probleem endemisch te zijn geweest. Steeds moest weer een jongere broer of een oom bijspringen om de stamboom te laten doorgroeien, met als uiteindelijk gevolg dat de stamboom van koning Willem-Alexander meer weg heeft van een heg dan van een statige eik.

Bastaardzoon
Ook Willem van Duvenvoorde leed al onder dit probleem. Hij was zelf een bastaardzoon, wat in de middeleeuwen niet per se minderwaardig was, maar hem wel uitsloot van de erfenis van zijn vader. Hij slaagde er echter in op eigen kracht carrière te maken, behoorde bij leven al snel tot de allerrijkste mensen in Europa en werd daarmee een machtig man. Ironisch genoeg kreeg hij een hele reeks buitenechtelijke kinderen, maar geen wettige zoon die hem kon opvolgen. Dat werd dus zijn neefje Jan II van Polanen en het was nauwelijks overdreven toen Jan Marijnissen (SP) opmerkte dat de basis voor de rijkdom van, toen nog koningin Beatrix, was gelegd door Willem van Duvenvoorde.

Met de Nassau’s als heren bloeide Breda op tot een Brabantse stad met aanzien. De grote kerk kreeg het uiterlijk en de proporties van een gotische kathedraal met de mooiste toren van Noord-Brabant en een indrukwekkend aantal grafmonumenten met dat in de Nassaukapel als hoogtepunt. Hendrik III van Nassau-Breda (een oomzegger van zijn voorganger) gaf in 1536 opdracht tot het bouwen van een paleis in renaissancestijl dat in omvang en luister in de Nederlanden zijn gelijke nauwelijks kende. In nogal gehavende vorm kennen wij dit paleis nu als ‘het kasteel’ van Breda, het hoofdgebouw van de militaire academie. Van het middeleeuwse kasteel dat hier eerder stond, resteren nog enkele delen.

Hendrik III werd dan weer opgevolgd door René van Chalon, zoon uit Hendriks tweede huwelijk. Aan hem dankt ons land de wapenspreuk ‘Je maintiendrai’ en door opnieuw een kinderloos overlijdende oom erfde Van Chalon het Zuid-Franse vorstendom Orange en daarmee de titel ‘prins (vorst) van Oranje’. Hij was pas vijfentwintig toen hij sneuvelde, maar had nog net op tijd een testament gemaakt waarin hij zijn neef Willem tot zijn opvolger benoemde. Dat werd dus Willem van Oranje-Nassau, die wij beter kennen als Willem de Zwijger en die hiermee ook heer van Breda werd. Het vervolg is bekend. Willem raakte verstrikt in de Tachtigjarige Oorlog en verspeelde Breda, maar de uitgestrekte bezittingen bleven als ‘Nassause Domeinen’ grotendeels bij elkaar. Breda werd een provinciestad.

bc201601-lauran_toorians-boek_machtig_en_dienstbaar-pag_52_broederschap-1000

Leden van de broederschap van het Heilig Sacrament van de Niervaart op het altaarstuk van die broederschap. Het anonieme paneelschilderij dateert uit 1537 geschilderd. foto Breda’s Museum

Op stand
Uiteraard is dit maar een deel van het verhaal. Een hof met de allure van de Bredase Nassau’s trok een brede kring van edelen, ambachtslieden en ander personeel aan en ook deze lieden wilden voor kortere of langere tijd ‘op stand’ in de stad kunnen wonen. Daarnaast was er uiteraard een ‘gewone’ stedelijke elite die allerlei bestuurlijke taken uitoefende en die eveneens voortdurend bezig was de stand op te houden en zichtbaar te maken.

Deze adel en stedelijke elite hebben we in Breda niet erg goed in beeld. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld ’s-Hertogenbosch, waar al zo’n eeuw onderzoek wordt gedaan naar en gepubliceerd over de laatmiddeleeuwse stad en haar bewoners. Dat resulteerde in een hele reeks publicaties met soms bijzonder gedetailleerde informatie.

Daar komt bij dat in die late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd elke stad haar eigen structuren en eigenaardigheden kende. Dus hoe goed we de bestuurscultuur in Den Bosch ook kennen, dat helpt ons nauwelijks om ook die van Breda of Bergen op Zoom te kennen en begrijpen. Wel in hoofdlijnen, maar niet in de details die het nu juist interessant maken. Het onderzoek naar de laatmiddeleeuwse stedelijke elite is bijzonder tijdrovend en kan eigenlijk alleen worden gedaan door ijverige vrijwilligers die hun vrije tijd willen besteden aan het doorpluizen van archiefstukken (en natuurlijk van de beschikbaarheid van die stukken zelf).

Bredanaar Jacques van Hooydonk (1928-1999) was zo’n liefhebber die vanaf 1989 jarenlang in de Bredase archieven heeft gewroet. Anders dan de meeste anderen was hij niet op zoek naar zijn eigen voorouders, maar verzamelde hij alle gegevens die hij kon vinden over de Bredase elite tussen ongeveer 1350 en 1550. Dat resulteerde in twee omvangrijke verzamelingen, een Elitebestand met genealogische informatie en een Stratenbestand met informatie over huizen (of percelen) en hun bewoners. Tot een echte afronding kwam het helaas niet en na zijn overlijden in 1999 werd een Stichting Jac. H. van Hooydonk opgericht die zich over zijn materiaal ontfermde. De bestanden werden aangevuld, gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd, maar tot de beoogde publicatie kwam het niet.

Terracotta buste van een dame. Resten van de beschilderring zijn nog aanwezig, gedateerd tussen 1500 en 1525. Vondst uit de beerput die hoorde bij het hofhuis waarin korte tijd Charles de Herugière heeft gewoond. foto Team Erfgoed Gemeente Breda

Terracotta buste van een dame. Resten van de beschilderring zijn nog aanwezig, gedateerd tussen 1500 en 1525. Vondst uit de beerput die hoorde bij het hofhuis waarin korte tijd Charles de Herugière heeft gewoond. foto Team Erfgoed Gemeente Breda

Ester Vink
Uiteindelijk kon deze stichting met behulp van een flink aantal sponsors aan de freelance historica Ester Vink de opdracht geven om aan de hand van Van Hooydonks gegevens een boek te maken. Dat boek is er nu, maar of het voldoet aan wat Jacques van Hooydonk ooit voor ogen heeft gestaan, is zeer de vraag. Vink heeft met onderzoek en publicaties over vooral ’s-Hertogenbosch en de Meierij ruimschoots laten zien dat zij de weg weet te vinden in laatmiddeleeuws archiefmateriaal, maar in Breda lijkt zij verdronken in de kaartenbakken van Van Hooydonk. Wat er precies is misgegaan, is niet duidelijk. Maar het boek dat zij afleverde, leest meer als de opzet of het projectplan voor een boek over de Bredase elite, dan als het boek dat de lezer had mogen verwachten.

Het boek is rijk geïllustreerd, maar bevat in de tekst vooral veel herhalingen over wat elite is en doet, korte paragraafjes over zaken als vermogen en bezit, buitenplaatsen, familiewapens, jacht en heerlijkheden. En vooral heel veel algemeenheden. Wie die Bredase edelen en hogere bestuurders nu eigenlijk waren en hoe zij (concreet, in Breda) leefden, komt de lezer niet te weten en geen enkel lid van de behandelde groep krijgt zelfs maar een beetje een ‘gezicht’. In het ‘woord vooraf’ staat een vraag die verder in het boek nergens wordt beantwoord: ‘Waar kwam de elite vandaan, hoe werden de baantjes verdeeld, wie wist zich te handhaven in de woelige tweede helft van de zestiende eeuw?’ Jammer, want wat een geweldig interessant en informatief project had kunnen zijn (en voor Van Hooydonk vast ook was), is hier uitgelopen op een mislukt boek. Wie zal zich nu nog in deze boeiende materie durven vastbijten?

Stadsarchief Breda
Het zou wellicht zinvoller zijn geweest om ‘gewoon’ de gegevensbestanden van Van Hooydonk te publiceren. Misschien op de website van het Stadsarchief Breda – een site die niet bijster informatief is. Van Hooydonk maakte overigens in 1992 ook zelf al een boek met als titel Bredase elite tussen 1350 en 1550. Een chronologie uit gepubliceerde en ongepubliceerde bronnen. Dat werd nooit uitgegeven en het Stadsarchief bezit er een fotokopie van die niet ter inzage is! Dat embargo opheffen zou een mooie eerste stap zijn.

untitled

Ester Vink, Machtig en dienstbaar. De Bredase elite tussen 1350 en 1550.
Utrecht: Matrijs 2015, 96 pp., ISBN: 978-90-5345-503-6, pb., € 19,95.
www.matrijs.com

© Brabant Cultureel – februari 2016