Rob Ruggenberg.

Haaieneiland van Rob Ruggenberg neemt je mee op een heel spannende reis

Rob Ruggenberg schrijft het ene succesvolle jeugdboek na het andere. Steeds op basis van historische gegevens en over reizen naar verre oorden. En het leest steeds alsof je er zelf bij bent. Op reis naar de Stille Oceaan.

door Muriel Boll

Voor De boogschutter van Hirado, zijn vorige boek, kreeg Rob Ruggenberg de Thea Beckmanprijs toegekend. Dat is niet niks, de boeken van Beckman waren heel geliefd. Ze werden vooral ook zo graag gelezen, omdat de lezer voelde dat de historische geschiedenissen die zij beschreef, echt zó gebeurd zouden kunnen zijn. Dat lukt een schrijver alleen als die zich goed documenteert en veel tijd in onderzoek steekt. Beckman bracht dan ook heel veel tijd door in bibliotheken en archieven om een beeld te krijgen van het leven tijdens de honderdjarige oorlog voor de trilogie Rad van Fortuin die ze daarover schreef, van de Hoekse en Kabeljauwse twisten voor Hasse Simonsdochter, of om voor Kruistocht in spijkerbroek te achterhalen hoe die tot stand was gekomen.

Jacob Roggeveen.

Jacob Roggeveen.

Scheepsjournaal
Het nieuwste boek van Ruggenberg, Haaieneiland, geeft je ook dat gevoel van ‘zo moet het zijn gegaan’. Net als Beckman baseert hij zijn verhalen op oude verslagen en teksten, in dit geval op het scheepsjournaal van Jacob Roggeveen uit 1722. In die tijd waren de belangrijke zeeroutes al ontdekt en konden de Nederlanden daar de revenuen van opstrijken, rijk worden. En toen was daar ineens Commandeur Jacob Roggeveen, die beweerde dat hij had uitgerekend waar het Zuidland moest liggen, dat geheimzinnige land vol goud en edelstenen. Met drie schepen vertrok Roggeveen uit Middelburg op ontdekkingsreis.

Aan boord was ook Roemer Jonasse, dertien jaar oud en eigenlijk te jong om aan te monsteren, en zijn oudere broer Pieter (die al spoedig sterft). Het was een rampzalige tocht. Na maanden zwalken over de oceaan was de helft van de bemanning bezweken aan scheurbuik en was het duidelijk dat Roggeveen het mis had. In de Stille Zuidzee voer één van de schepen, de Africaensche Galey, op een rif en brak doormidden. Met twee schepen begon de Commandeur aan zijn terugreis, vijf bemanningsleden bleven op het eiland Takapoto achter. Die hadden genoeg van het brakke leven op aan boord. Roggeveen schrijft in zijn journaal over de vijf deserteurs die op het eiland achterbleven. Onbegrijpelijk, volgens Roggeveen, want ze konden weten dat ze daar nooit meer vandaan zouden komen, ‘dit eylandt van alle scheepvaart ontbloot synde…’

Rob Ruggenberg zit op het koraalrif, op de plaats waar in 1722 de Africaensche Galey aan stukken sloeg.

Rob Ruggenberg zit op het koraalrif, op de plaats waar in 1722 de Africaensche Galey aan stukken sloeg.

Veertig jaar later kwam de Engelse ontdekkingsreiziger John Byron op het eiland terecht. Hij maakt in zijn journaal hij melding van een oude man met een lange witte baard die een lied zong dat westers klonk. Dat zou de laatste overlevende van de vijf deserteurs kunnen zijn.

Exotisch
Tussen die beide scheepsjournaals heeft Ruggenberg zijn verhaal geweven. Het verhaal van Haaieneiland verloopt ongeveer als het verhaal in De boogschutter van Hirado. In beide boeken komt een jongen zijns ondanks in een exotische omgeving terecht, en leert daar een meisje kennen van ongeveer zijn leeftijd. Het meisje komt in moeilijkheden en moet de dood onder ogen zien. Het lukt de jongen haar te redden, met gevaar voor eigen leven.

In Haaieneiland is er ook voor het meisje, Nu’i, een levensreddende rol. Door twee jongeren met een heel verschillende achtergrond elkaar te laten ontmoeten, wordt het makkelijk aannemelijk dat zij van elkaar leren, dat een Nederlandse jongen een Japanse of Polynesische taal en gebruiken leert kennen.

Voor een volgend boek zal Ruggenberg wel iets anders moeten verzinnen. Een vast patroon is altijd minder interessant. Bij Beckman waren kwinkelerende leeuweriken zo’n weerkerend thema. Ruggenberg heeft wel een prettige schrijfstijl. De zinnen hebben een rustig tempo en zijn niet te lang. En hij schrijft zo dat je het landschap en de gebeurtenissen voor je ziet.

Oude tekening van een koraaleiland in de Polynesische Tuamotu-archipel. Zo zag Takapoto er uit in de tijd dat 'Haaieneiland' zich afspeelt.

Oude tekening van een koraaleiland in de Polynesische Tuamotu-archipel. Zo zag Takapoto er uit in de tijd dat ‘Haaieneiland’ zich afspeelt.

Parelduiker
Het haaieneiland, Takopoto, ziet er paradijselijk uit: palmbomen en een kristalhelder binnenmeer in de oude krater van een vulkaan. Het vreemde is dat er geen mannen wonen, behalve de wijze overgrootvader van Nu’i. De mannen zijn zo’n twintig jaar geleden vermoord bij een aanval van kannibalen van Ana’a, een koraaleilandje in de buurt.

Om de omgeving goed te kunnen beschrijven, heeft Ruggenberg zich een week of zes op Takapoto geïnstalleerd, in het hutje van een parelduiker. In het dorp bleken nog twee kanonnen van de Africaensche Galey tussen de struiken te liggen, en er is een eenzaam graf te vinden waarin volgens de eilanders Nederlanders liggen. Enkele Nederlandse woorden die Roemer aan Nu’i leert, worden nog steeds gebruikt op Takapoto. Van een Australische taalkundige hoorde Ruggenberg dat de taal van het eiland vroeger meer Nederlandse woorden kende, maar die zijn inmiddels vergeten.

In een interview legde Ruggenberg uit waarom hij graag de plek bezoekt waar zijn verhaal zich afspeelt. ‘Als ik er ben, de wind hoor, de kleuren van de zee zie, dan ontstaat het verhaal.’ De proloog waarmee het boek begint, is daar een mooi voorbeeld van. Het herinnert aan de aanval van de krijgers van Ana’a in april 1720.

‘Het was nooit stil op het kleine koraaleiland, want ook ’s nachts beukten de golven op de rode riffen en blies de oceaanwind ruiselliedjes door de hoge kokospalmen.Daardoor hoorde niemand hen aankomen. De dubbele kano naderde langzaam, bijna als een schaduw boven het water zwevend, rijzend en dalend op de golven. De krijgers van Ana’a, met verentooien op hun hoofden en beschermd door schilden van parelmoer en schildpad, stuurden hun oorlogskano behendig door de smalle opening in het rif. Even later slopen de mannen het strand op. Hun lange speren, voorzien van rijen scherpe haaientanden, glinsterden in het maanlicht. Om hun polsen hingen kransen van gevlochten mensenhaar. Het dorp lag tweehonderd stappen van het strand. Iedereen sliep.’

Brooklyn en Jacobine, twee kinderen van Takapoto, spelen op de kanonnen van de Africaensche Galey. De kanonnen zijn in verleden opgedoken van het rif. Nu roesten ze weg achter struikgewas.

Brooklyn en Jacobine, twee kinderen van Takapoto, spelen op de kanonnen van de Africaensche Galey. De kanonnen zijn in verleden opgedoken van het rif. Nu roesten ze weg achter struikgewas.

Wie van verhalen houdt, kan hier geen weerstand aan bieden, lijkt me. En waarom zou je? Het is paradijselijk en gruwelijk, spannend en avontuurlijk, er is een kristalheldere binnenmeer van altijd 27 graden maar wel vol talloos kleine haaien die je aanvallen als ze ook maar een druppeltje bloed aan je lijf ontdekken, yin en yang. Het boek leert je nog wat ook. Hoe de bevolking zich bij iets als een tsunami vastbindt in de hoge kokospalmen bijvoorbeeld. Die buigen wel, maar komen ook altijd weer omhoog. Over de legendarische navigatiekunst van de oude Polynesiërs: ze maakten reizen over zee van duizenden kilometers zonder kompas of andere navigatiemiddelen. Achter in het boek staat een woordenlijst en een verantwoording waarin staat wat historisch is in dit verhaal, en wat verzonnen.

Er zit altijd veel zee in de boeken van Ruggenberg, en dat bracht de herinnering aan een zeeverhalenverteller van een eeuw geleden naar boven: aan Been, Johan Hendrik Been. Zijn Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de Ruyter verscheen in 1908, met tekeningen van Johan Isings. Been drong zelfs door tot het Tweemaandelijks Tijdschrift dat geredigeerd werd door Albert Verwey en Lodewijk van Deyssel. Verwey had iets gepubliceerd over Johan van Oldebarnevelt en daarop stuurde Been een verhaal waarin Van Oldebarnevelt bemiddelt in een conflict tussen Maassluis en Den Briel. Meer verhalen volgden.

Ook voor Been waren oude teksten de inspiratiebron voor zijn avontuurlijke jongensboeken die nog tot in de jaren vijftig graag werden gelezen. Been zat dichtbij het vuur, bijna heel zijn leven was hij archivaris van Den Briel. Hij was een rasverteller, Ruggenberg is dat inmiddels ook. Hij neemt je mee op een heel spannende reis.

Rob Ruggenberg, Haaieneiland. Amsterdam: Querido 2015, 288 pp., ISBN 978-90-451-2875-8, hb.,
€ 15,99 (ook als e-Book: ISBN 978-90-451-1876-5, € 7,99).

www.queridokinderboeken.nl
www.ruggenberg.nl

© Brabant Cultureel – december 2015