De pijnlijke adoptiegeschiedenis van ongehuwde moeders in Moederheil

Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw was Moederheil het grootste doorgangshuis voor ongehuwde moeders.  Na de bevalling moesten ze hun kind afstaan voor adoptie, vaak door rijke, katholieke families. Weliswaar werden daar ook veel Bredanaars uit traditionele huwelijken geboren, maar een deel van de geschiedenis is uitermate schimmig. Een boek door Eugénie Smits van Waesberghe en een radiodocumentaire door René Oomen schetsen een ontluisterend beeld.

door René Oomen

Moederheil werd in 1915 in Breda opgericht voor de Sint-Magdalena-stichting en de RK Vereeniging tot Bescherming van Meisjes. Het was een initiatief van enkele gegoede Bredase vrouwen en was toen gevestigd aan de Willemstraat. De instelling werd geleid door de Kleine Zusters van de Heilige Joseph en was gericht op ‘het werkelijke heil der ongehuwde moeders’, het zielenheil wel te verstaan. In de stichtingsakte stond nadrukkelijk: ‘De ongehuwde moeder heeft gezondigd tegen God en tegen de Maatschappij. Liefst zoolang mogelijk voor de bevalling worden de ongehuwde moeders in het huis opgenomen; zoolang mogelijk, omdat de meisjes vooral voor de bevalling het meest geneigd zijn te luisteren naar vermaningen en goeden raad.’ Met name de recente onthullingen over de Magdalende Laundries in Ierland maken duidelijk waartoe zoiets kan leiden.

Kinderslaapzaal met ijzeren ledikanten in kraamkliniek van Moederheil tussen 1930 en 1935 . Collectie Stadsarchief Breda

In 1924 verhuisde Moederheil naar Ginneken. De instelling kreeg toen ook een reguliere kraamkliniek en in 1929 kwam er een opleiding voor kraamvrouwen. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Moederheil een afdeling voor gehuwde vrouwen waarmee het (deels) een gewone kraamkliniek werd waar menig Bredanaar het levenslicht zag. In de jaren zestig, toen het aantal kloosterroepingen drastisch terugliep, trokken de zusters zich geleidelijk terug en werden hun taken overgenomen door leken. De maatschappij ging langzamerhand ook anders aankijken tegen ongehuwde moeders en er kwamen nieuwe doelgroepen en in 1975 een nieuwe naam: Valkenhorst.

Valkenhorst werd een opvanghuis voor vrouwen in crisissituaties (een Blijf van mijn Lijfhuis) en in 1986 werd de kraamkliniek gesloten. Valkenhorst kreeg nog andere maatschappelijke functies, maar in 1995 werd de instelling gesloten en het gebouw gesloopt. Daarmee is de geschiedenis echter niet afgesloten, want veel van de geadopteerde kinderen worstelen nog steeds met de vraag wie hun biologische ouders zijn.

Gedwongen
Nu de PvdA en D66 in de Tweede Kamer pleiten voor een grondig onderzoek naar gedwongen adoptie vanaf de jaren vijftig tot in de jaren tachtig is het goed te kijken hoe de praktijk feitelijk was. Ongehuwde moeders stonden lange tijd onder aan de maatschappelijke ladder en onder druk van de katholieke moraal bleef dat lang het geval. Ongehuwd moederschap was een regelrechte en onuitwisbare schande voor de samenleving, maar zeker ook voor de familie van de ongelukkige.

De voorgevel van Stichting Moederheil aan Valkenierslaan tussen 1930 en 1935 te Ginneken. Ginneken is nu een wijk van Breda. Collectie Stadsarchief Breda

De katholieke dokter Cl. Meuleman van de. R.K. Vereeniging Moederschapszorg te Heerlen, die ook radiopraatjes hield voor de KRO, sprak eind jaren twintig zelfs van ‘psychopaten die zo snel mogelijk uit de samenleving moesten worden verwijderd.’ Wel stond hij voor om moeder en kind bij elkaar te houden, wat dus lang niet altijd gebeurde. Dit was weliswaar ook de lijn van de bisschoppen, maar parochiegeestelijken werkten er vaak aan mee om adoptieouders te vinden om schande voor de familie van de ongehuwde moeder te voorkomen. Het officiële beleid van Moederheil was dan ook om moeder en kind bij elkaar te houden, de praktijk bleek vaak anders.

Tot de invoering van de bijstand in 1965 hadden alleenstaande moeders meestal te weinig geld om rond te komen. Er was geen andere keus dan terecht te komen in een doorgangshuis, waarvan Moederheil in Breda landelijk het grootste was. De oprichting hiervan had in 1915 bij de achterban zo gevoelig gelegen dat de toenmalige bisschop Hopmans het niet aandurfde om het openlijk te steunen, laat staan het te openen. Omdat het tehuis zou worden voorzien van zowel een kapel als een kraamkliniek, zag hij uiteindelijk toch in dat dit een manier was om de hoge kindersterfte in Noord-Brabant terug te dringen en gaf hij het zijn steun.

Speelplaats voor kinderen in Stichting Moederheil aan Valkenierslaan 5 te Ginneken. Collectie Stadsarchief Breda

Geromantiseerd
Achter de nu gesloopte muren van Moederheil – in Ginneken een groot, blokachtig bastion met veel ramen, dakkapellen en gangen – gaat een adoptiegeschiedenis schuil die veel leed heeft veroorzaakt. Aan de oppervlakte zijn er de geromantiseerde verhalen van het grote aantal Bredanaars dat er is geboren. Vanwege de goed geoutilleerde kraamkliniek werden er immers ook veel kinderen geboren uit traditionele huwelijken. Deze moeders werden strikt gescheiden gehouden van de afdeling met de gevallen meisjes, die vaak werden gedwongen om hun kind af te staan.

Op een gegeven moment waren er alleen nog maar ongehuwde moeders. Eugénie Smits van Waesberghe (53), die eigenlijk door het leven had moeten gaan als Gepke Kortekaas, wordt in 1965 in Moederheil geboren, direct weggehaald bij haar moeder en ‘weggegeven’ aan een rijke familie uit het geslacht Smits van Waesberghe, eigenaren van de bekende Bredase bierbrouwerij ‘De Drie Hoefijzers’. De weken die daaraan vooraf gaan, verlopen ook niet vlekkeloos. In afwachting van de bevalling bivakkeert Eugénie’s moeder in een klein kamertje, een hokje met een stoel en een gordijntje, bevalt van het kind en wordt vervolgens aan haar lot overgelaten. Na een paar dagen wordt zij ontredderd buiten de poort gezet.

Dit alles staat lijnrecht tegenover de uitspraken van de toenmalige directrice van Moederheil in een KRO reportage uit 1964. Die zegt daarin letterlijk: “Wij gaan uit van de plannen van de meisjes en beïnvloeden ze dus niet.” Op de vraag of de moeders hun kind ook te zien krijgen, antwoordt zij: “Nee, dat doen ze mede op ons advies. Ze maken het zichzelf alleen maar moeilijker als ze het zouden zien.” Hier zien we het officiële, bisschoppelijke beleid botsen met de werkelijkheid van de ‘wensen’ van de ongehuwde moeders, of waarschijnlijker van de familie van die ongelukkigen.

Zuigelingenafdeling en hoogtezon in “Stichting Moederheil” gefotografeerd tussen 1930 en 1935. Collectie Stadsarchief Breda

Verboden
De geschiedenis van Moederheil blijft voor een deel schimmig. Afdelingen en disciplines binnen de instelling waren strikt van elkaar gescheiden en het personeel had zwijgplicht. Het was ten strengste verboden om contact te hebben met de ongehuwde moeders. Oud-kinderverzorgster Annemiek van den Berg omschrijft de sfeer: “Ik heb zelf niet iets van geheimen gemerkt, maar ze waren er. Er was een uitgebreid gangenstelsel. Ik herinner me een deur aan het eind van zo’n gang waar je niet achter kwam. Niemand kwam daar achter. Wij kregen een paar kinderen toegewezen en ik nam er af en toe een mee naar huis, dat mocht ook. Dan liep je bij wijze van spreken als een trots moedertje achter de kinderwagen. Maar binnen een paar maanden moest je wisselen van zaal, anders zou je teveel aan zo’n kind gaan hechten. Ik heb me daar later wel schuldig over gevoeld, dat ik daar aan heb meegewerkt. Van enige professionaliteit heb ik nooit wat gemerkt. Je deed maar ’n slag.”

In de tweede helft van de jaren zestig wordt de toestroom van ongehuwde moeders en hun afstandskinderen zo groot dat er een lange wachtlijst ontstaat. Mensen worden van andere taken afgehaald om dit probleem op te lossen. Er zijn zoveel baby’s in de zalen van Moederheil dat er onrust ontstaat. Een vrouwelijke kinderarts, dokter R. Smeets, die was ingehuurd van het Ignatiusziekenhuis, besluit kalmerende druppels voor te schrijven die toegevoegd moesten worden aan de babyflesjes. Op die manier zijn vele baby’s in hun eerste levensjaar, gedurende langere tijd gedrogeerd met het middel Mellerette (Thioridazine), eigenlijk bedoeld voor de behandeling van angstneurose bij volwassenen, en in zwaardere dosering voor schizofrenie.

Het middel is in 2005 vanwege ernstige bijwerkingen van de markt gehaald. Getuige van deze praktijk van toediening van kalmerende druppels bij gezonde baby’s is onder andere Harlinde van Osselaer, die in Moederheil werkte als psychologe. Zij treedt er begin jaren zeventig in dienst: “Kinderen liepen een enorme ontwikkelingsachterstand op, met name door die druppels”, vertelt ze. “De oudere kinderen konden niet buiten spelen en ze hadden nog nooit een normale tafel en stoel gezien.” Om een einde te maken aan de wantoestanden stapt ze naar de directie en dreigt met ontslag als de organisatie niet zou verbeteren.

Het gebouw van de Stichting Moederheil, de foto dateert van na 1985. Foto Ruud de Haas, collectie Stadsarchief Breda

Hongerstaking
Doordat Moederheil geheimhouding had beloofd, moesten de dossiers gesloten blijven. Kinderen konden dus niet achter de identiteit van hun biologische ouders komen. In juni 1989 zet de Eindhovense Riet Monteyne (1944-2007) haar tentje op voor de deur van Valkenhorst, zoals Moederheil inmiddels was gaan heten. Zij gaat 31 dagen in hongerstaking om inzage in haar dossier af te dwingen, aanvankelijk zonder resultaat. Na een aantal rechtszaken komt er toch erkenning en gaan de dossiers schoorvoetend open.

Als zij achttien is, vindt de biologische moeder van Eugénie Smits van Waesberghe (1965) haar dochter terug (de moeder is nu overleden). In de jaren negentig vindt Eugénie ook haar biologische vader terug, na een oproep van de Stichting FIOM, de organisatie die zich bezig houdt met afstammingsvragen (oorspronkelijk ‘Federatie van Instellingen voor de Ongehuwde Moeder en haar kind’, opgericht in 1930). Voor een fatsoenlijke reparatie van de familieband is het dan te laat en het opbouwen van een vader-dochterrelatie blijkt niet goed meer mogelijk.

Wanneer Eugénie’s adoptieouders overlijden, gaat zij met de hulp van lotgenoten voor een boek op zoek naar de waarheid, om de praktijken in Moederheil helder te krijgen. Het blijft een hiaat in haar bestaan, maar het boek komt er. Het verschijnt binnenkort.

De radiodocumentaire ‘Het spoor terug. Gevallen in Moederheil’ wordt op zondag 11 maart 2018 om 11.20 uur op Radio 1 uitgezonden in het geschiedenisprogramma OVT van de VPRO.

Het boek van Eugénie Smits van Waesberghe, ‘Schoot vol tranen’, verschijnt in juni.

Zie ook: www.canonsociaalwerk.eu

 

 

© Brabant Cultureel 2018