Mooie biografie van de even kleurrijke als arme schilder Jan Kruijsen

Autodidactisch schilder, levensgenieter en godsdienstwaanzinnige, Jan Kruijsen was het allemaal. Ondanks chronische armoede bleef hij de zonnige kant van het leven zien en hield hij vast aan zijn grote roeping om kunstschilder te zijn. Helemaal zonder succes deed hij dat niet, maar tot een echte doorbraak in de kunstwereld kwam het nooit. Toch draagt in Oirschot een museum zijn naam. En nu is er ook een rijk geïllustreerde biografie.

 door Lauran Toorians

De meest wonderlijke kunstenaar die een eeuw geleden in Noord-Brabant rondliep, is vast Jan Kruijsen geweest (hij spelde zelf zijn naam ook als Kruysen). Hij werd in 1874 geboren in Liempde en was als kunstschilder volledig autodidact. Wellicht daardoor, maar ook door zijn enorme eigenzinnigheid en omdat hij steeds in zijn eigen plattelandsomgeving bleef werken, brak hij nooit door tot het circuit van erkende kunstenaars. Toch heeft hij een omvangrijk oeuvre nagelaten met landschappen, (boeren)interieurs, stillevens en portretten die in elk geval getuigen van vaardigheid en van liefde voor zijn geboortegrond en die tegenwoordig vooral ook van documentaire waarde zijn. Kruijsen legde mensen (en kledinggebruiken) en zaken vast die sinds lang zijn verdwenen en geeft daarmee een mooi beeld van de Meierij van ’s-Hertogenbosch rond 1900. Hij overleed in Eindhoven in 1938.

Jan Kruijsen aan de pianola in zijn Oirschotse atelier. Collectie Museum Kruysenhuis.

Stiefmoeder
Hoewel geboren bij Liempde, groeide Kruijsen op in Lennisheuvel bij Boxtel in een gezin met wat in sprookjesboeken een ‘boze stiefmoeder’ heet. Hij gaf al jong blijk van zijn talent voor tekenen en schilderen, maar kreeg pas de ruimte om zich te ontplooien toen hij werd ingeloot voor militaire dienst en werd gelegerd in Geertruidenberg. Bijtekenen en naar Nederlands-Indië gaan, werd door zijn vader verhinderd, waardoor hij terugkwam naar Boxtel. Daar trok hij in bij een tante en vond er na enige tijd werk in het schildersatelier Peinture Bogaers. De daar heersende werkwijze stuitte hem echter tegen de borst en hij hield het er geen jaar vol. Zo kreeg hij geen enkele formele scholing als kunstschilder, terwijl hij toch zijn eigen roeping – zo noemde hij het zelf – bleef volgen.

Nog in militaire dienst was Kruijsen getrouwd met de Boxtelse Barbara van Dijk. Hij was tweeëntwintig, zij achttien. Zij bleef hem door dik en dun trouw tot aan haar dood in 1915, na de geboorte van hun zestiende kind in zeventien jaar tijd. Dat kind werd dood geboren en van de andere kinderen bereikten er zeven een volwassen leeftijd. De oudste, Antoon, werd net als zijn vader kunstschilder en slaagde er beter dan zijn vader in om als zodanig naam te maken. De armoede was groot en toen het gezin op 1 mei 1911 in Woensel het huis werd uitgezet wegens achterstallige huur konden zij nergens anders terecht dan in de oude, alleenstaande kerktoren van Woensel. Dat lijkt romantisch, maar die toren was totaal ongeschikt voor bewoning. Toch ondernam Kruijsen weinig tot niets om aan zijn lot te ontsnappen en bleef hij stug volharden in zijn kunstenaarschap. Zijn vrouw en noodgedwongen ook zijn kinderen schikten zich.

Jan Kruijsen, Oude Grintweg in Oirschot. Olieverf op paneel. Privécollectie Joop Vullings.

Ook daarvóór was het armoe troef. In 1900 had het jonge gezin zich in Tilburg gevestigd en hier voltrok zich nog in datzelfde jaar een grote ommekeer in Kruijsens leven. Van een oppervlakkig gelovende en behoorlijk antiklerikale katholiek veranderde hij hier in wat we nu een ‘reborn christian’ zouden noemen, een vurig roomse katholiek. Dat begon met een toevallige ontmoeting in het klooster van de Missionarissen van het Heilig Hart (Missionarii Sacratissimi Cordis Iesu; MSC) aan de Bredaseweg in Tilburg waar Kruijsen het museum met exotische voorwerpen uit de missiegebieden bezocht. Plotseling ging hij volledig op in het toen opkomende Rijke Roomse Leven, compleet met Mariaverschijningen en de noodzaak tot volledige overgave. Godsdienstwaanzin lag op de loer. Voortaan stond zijn leven niet alleen meer in het teken van de kunst, maar ook van het geloof. Om die ‘levensfilosofie’ vorm te geven, schreef en illustreerde hij “Het boek”. Gedachten en beelden, een nogal ondoorgrondelijk werk, maar wel fraai uitgegeven. Dat die uitgave hem nog verder in de schulden bracht, deerde hem niet. Wel droeg het er toe bij dat hij in katholieke kring werd opgemerkt, wat hem ook opdrachten opleverde.

Overigens begaat Kruijsens biograaf Frank van Doorn een vaak gemaakte vergissing door de Missionarissen van het Heilig Hart (in Tilburg bekend als ‘de Rooi Harten’) te verwarren met de paters van de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria (Congregatio Sacrorum Cordium; ss.cc.). Het gaat om twee verschillende congregaties.

Jan Kruijsen, Zelfportret met Maria. Houtskool op papier, 1929. Collectie Museum Kruysenhuis.

Pruisen
Nadat zijn vrouw in 1915 was overleden, verliet Kruijsen Woensel en ging hij zwerven. Wat er toen met zijn kinderen gebeurde, is niet erg helder. Een deel van hen vond onderdak bij verschillende kerkelijke instellingen. Vanuit het niets bood een anonieme ‘jood uit Zutphen’ in 1915 zevenhonderd gulden voor al zijn werken en dat aanbod nam Kruysen aan. Het gaf hem vrijheid en de gelegenheid tenminste iets te doen voor zijn kinderen.

Een combinatie van brutaliteit en naïviteit bracht hem vervolgens in Roermond bij de geroemde architect Pierre Cuypers die voor de viering van zijn negentigste verjaardag geportretteerd moest worden. Tot ieders verbazing kreeg Kruijsen die opdracht en hij maakte een portret dat alom goed werd ontvangen en dat een startpunt had kunnen zijn van een gevestigde carrière. Niet voor Kruijsen. Hij bleef zwerven door Limburg en Noord-Brabant met vanuit Valkenburg een uitstap naar Neder-Silezië in het toenmalige Pruisen. Hier verbleef hij enige tijd in Oberschreiberhau (nu Szklarska Poręba) en in 1923-1924 in het kuuroord Bad Dirsdorf (Przerzeczyn-Zdrój). Hier ontmoette en trouwde hij zijn tweede vrouw, Martha Menzel, een oorlogsweduwe met een dochter die in 1924 met hem naar Nederland kwamen. Hij moet hier in Pruisen veel hebben geschilderd, maar van dat werk is helaas vrijwel niets bekend.

Jan Kruijsen, Hut bij avondzon. Olieverf op doek. Privécollectie Joop Vullings.

Terug in Valkenburg kreeg hij de opdracht om tekeningen te maken op wanden in de Steenkolenmijn Valkenburg, een toeristische attractie in een mergelgrot die in 2017 een eeuw bestond en die in de loop van die honderd jaar door menige Nederlander bezocht zal zijn. Na dit werk te hebben voltooid, trok hij in 1924 naar Oirschot waar hij zich uiteindelijk vestigde in het buurtschap Boterwijk. Daar woonde hij totdat hij in 1938 vrij onverwacht ziek werd en snel daarna in het ziekenhuis in Eindhoven overleed. Hij leefde er als de bohemien die hij bijna zijn hele leven was geweest en werd met zijn kleurrijke verschijning een bekende dorpsfiguur. Hij werd geaccepteerd en gewaardeerd, maar bleef ook die rare snuiter die bij de winkeliers zijn schulden voldeed met hier en daar een schilderij dat dan werd geaccepteerd als ‘beter dan niks’.

Levensvreugde
Veel van het werk van Kruijsen kan impressionistisch heten en daarin geeft hij een fraai – zij het wat romantisch – beeld van met name de Meierij van een eeuw geleden. Het is ook zonder uitzondering werk dat zijn enorme levensvreugde weerspiegelt, want ondanks zijn chronische armoede en andere ellende heeft hij altijd de zonnige kant van het leven willen zien. Een aantal portretten en enkele bloemstillevens zijn veel strakker geschilderd, mogelijk omdat het daarbij om opdrachtwerken gaat. Zijn meer religieuze werk staat dan weer volop in de traditie zoals we die ook kennen van muurschilderingen in kerken uit die periode en, zeker in zijn tekeningen, in een gestileerde Art Deco stijl zoals ook Jan Toorop die in zijn katholieke periode bezigde. Dit alles lijkt er op te wijzen dat Kruijsen veel beter op de hoogte was van wat er in de kunstwereld om hem heen gebeurde dan zijn goedbewaarde imago van autodidactische dorpsgek suggereerde.

Cover Het Boek van Kruijsen.

In Oirschot houdt Museum Kruysenhuis de herinnering aan Jan Kruijsen levend. Het museum heeft werk van Kruijsen in bezit en tot en met 1 april 2018 is er een expositie te zien met werken van Jan Kruijsen, zijn zoon Antoon, zijn eveneens schilderende dochter Maria en hun leerlingen. In Sterksel is werk van Jan en van Antoon Kruijsen aanwezig in de collectie van het Peter van den Braken Centrum. En nu is er dan een rijk geïllustreerd boek over leven en werken van Jan Kruijsen. De auteur, Frank van Doorn (’s-Hertogenbosch 1988) groeide op in Boxtel en Liempde en is nu werkzaam bij het Brabants Historische Informatiecentrum (BHIC). Het ‘meest uitputtende werk over de schilder’ pretendeert dit boek niet te zijn, zo staat al in het voorwoord te lezen. Dat hoeven we niet te betreuren. Van Doorn heeft een mooi portret geschreven en slaagt er heel behoorlijk in om Jan Kruijsen van een context te voorzien. Wie een poging wil doen om in het hoofd van de schilder wil kruipen, kan daarna Kruijsens “Het boek” lezen.

Frank van Doorn, Het leven is de grootste kunst. De Brabantse kunstschilder Jan Kruijsen (1874-1938). Woudrichem: Pictures Publishers 2017, 156 pp., ISBN 978-94-92576-07-1, hb., € 27,50.

www.picturespublishers.nl

www.kruysenhuis.nl

www.petervandenbrakencentrum.nl

 

 

© Brabant Cultureel 2018