Casanova’s wraak in 21 nooit verstuurde brieven, vertaald door Ed Schilders

‘Mijn armzalige onderluitenant, u bent een slecht mens,’ schreef Casanova aan de kwelgeest die zijn laatste jaren in het kasteel van Dux zuur maakte. In eenentwintig nooit verstuurde brieven op hoge poten haalt hij zijn gram en redt hij zijn eer. Dat biedt vermakelijk leesvoer dat hier voor het eerst als een zelfstandig werk wordt gepresenteerd in een fraai verzorgde uitgave van de bibliofiele Brandon Pers.

 door Lauran Toorians

Goed spotten en schelden is een schone kunst en om die kunst naar behoren te beoefenen is het zaak de objecten van spot te koesteren. Zonder enige literaire pretentie beheerste Ludwig van Beethoven die kunst zoals hij ook het contrapunt beheerste. Aan zijn mecenas de vorst Karl Lichnowsky schreef hij eind oktober 1806 in een brief: ‘Fürst, was Sie sind, sind Sie durch Zufall und Geburt, was ich bin, bin ich durch mich; Fürsten hat es und wird es noch Tausende geben; Beethoven gibt’s nur einen’ (Vorst, wat u bent, bent u slechts door toeval en geboorte. Wat ik ben, ben ik door mijzelf. Vorsten heeft het en zal het nog duizenden geven, een Beethoven is er maar één). Een andere vriend en mecenas, Nikolaus Zmeskall von Domanovecz, kreeg in een briefje een vierstemmige canon ‘Bester Herr Graf, Sie sind ein Schaf’ (Mijn beste graaf, u bent een schaap) en ook tegen anderen kon Beethoven stevig uitvallen om er soms al een uur later een excuusbriefje achteraan te sturen. Daar tegenover noteerde hij in de zomer van 1820 en in bittere armoede op zijn kalender: ‘Warst du auch heut geduldig mit allen Menschen?’ (Ben je ook vandaag geduldig geweest met alle mensen?).

Ed Schilders tijdens de boekpresentatie. Foto Peter IJsenbrant

Precies daar schuilt natuurlijk de kracht. Het vereist zelfkennis en het vermogen te relativeren om uilskuikens en blaaskaken effectief op hun nummer te kunnen zetten. Een andere Wener die er patent op had, is Karl Kraus. Hij richtte in 1899 het kritische, pacifistische en vooral satirische blad Die Fackel op, gaf dat tot aan zijn dood in 1936 uit en schreef het vanaf 1912 in zijn eentje vol. Zijn correspondentie met de Duitse avant-gardekunstenaar Herwarth Walden verscheen in 2002 onder de veelzeggende titel ‘Feinde in Scharen. Ein wahres Vergnügen dazusein’. In zeventiende-eeuws Nederland kennen we Willem Godschalck van Focquenbroch en zijn vriend Johannes Ulaeus, die dominee werd in Tilburg. Zij maakten zich vrolijk over alles en iedereen, vooral om de melancholie op afstand te houden.

Versierder
Een man die er ook wat van kon, kennen wij vaak vooral in een andere hoedanigheid. De bekendheid van Giacomo Casanova berust in de eerste plaats op zijn erotische avonturen, maar hij was een heel stuk veelzijdiger dan alleen versierder. Hoewel, hij lijkt wel voortdurend de omstandigheden waarin hij verkeerde te hebben opgesierd. Casanova was intelligent, van vele markten thuis en een meester in het naar zijn hand zetten van de situatie. Maar niet altijd. De laatste jaren van zijn leven sleet hij op het slot van graaf Waldstein in Dux (Duchcov, in Tsjechië) waar hij als bibliothecaris was aangesteld en daarvoor een niet onaardig honorarium ontving. De graaf was echter zelden thuis en het hogere huispersoneel werd door Casanova niet bepaald hoog geschat en deed omgekeerd alles om hem het leven zuur te maken.

Charles Vergeer houdt als bestuurslid van de Brandon Pers een inleiding tijdens de boekpresentatie. Foto Peter IJsenbrant

In die pijnlijke omstandigheden betoonde hij zich een heer van stand. Hij ging niet ook met modder gooien (of met stront, zoals zijn tegenstanders deden) en daagde ook niet uit tot een duel – dat kon hij op zijn leeftijd niet meer aan. Wat hij wel deed, was in 1791 en 1792 eenentwintig brieven schrijven aan zijn grootste kwelgeest, brieven waarin hij eloquent zijn gal spuwde en zijn gelijk haalde. Verzonden zijn die brieven nooit. Dat had geen nut, want de kwelgeest zou te dom zijn geweest om ze op waarde te schatten. De beoogde ontvangers zijn wij, ‘het grote publiek’.

Ironisch daarbij is dat de brieven nooit afzonderlijk zijn uitgegeven – wel als een soort appendix bij de memoires – en tot nu nog nooit als een zelfstandig werk in het Nederlands werden vertaald. In dat gemis is nu voorzien door Ed Schilders. Hij vertaalde de reeks brieven als een zelfstandig, op zichzelf staand werk en voorzag ze van een inleiding en nuttige toelichtingen die ze ook voor parvenu’s als u en ik begrijpelijk maken. Want wie weet er nu dat het niet past om als knecht rechts naast de voerman op de bok te gaan zitten, of om bij het uitbrengen van nieuwjaarswensen een aangeboden stoel te accepteren en het bezoek te rekken, of om na de maaltijd het servet weer op te vouwen (‘niet plooien!’ werd mij in Vlaanderen ooit ingefluisterd).

Zelfbenoemd
Eer is het centrale begrip in deze brieven, de eer die alleen een heer van stand heeft en die hij met hand en tand moet verdedigen. Dat is precies wat Casanova hier doet. Want hij mag dan wel een zelfbenoemde heer van stand zijn, hij weet wel hoe het hoort en accepteert het niet wanneer anderen in zijn omgeving zijn eer en goede naam door het slijk halen. En zo kan hij schrijven: ‘Mijn armzalige onderluitenant, u bent een slecht mens en een nog slechtere rechter als u zich de houding aanmeet van iemand die een oordeel kan vellen dat een oprechte en filosofische geest vereist, of die van deskundige ter zake van de moraal en de goede omgangsvormen. Desondanks denk ik niet dat u een dief bent; beeld u echter niet in dat ik u een eerzaam burger vind. Want u kunt oneerlijk zijn, doortrapt en een schurk, zonder een dief te zijn…’

De voorpagina van “Casanova’s wraak”.

Het scherpst is Casanova wel in de eenentwintigste en laatste brief waarin hij aangeeft ‘onder welke waarheidsgetrouwe noemers u mij in de toekomst zou kunnen herkennen’. Om geen opschepper te zijn, doet hij dat in een reeks van twintig negatieve kenmerken (ik ben niet…, ik heb niet…) die – zo mag de lezer concluderen – allemaal wel van toepassing zijn op zijn tegenstander. Wie Casanova alleen van naam kent, kan zich bij deze opsomming verbazen over kenmerk nummer dertien: ‘Ik ben nooit overspelig geweest uit gewoonte.’ Casanova vraagt om oplettende lezers. Casanova’s lezers mogen er trouwens blij mee zijn dat zijn gezelschap in Dux hem zo slecht beviel. Daardoor trok hij zich immers ook terug in zijn privévertrek waar hij zich aan het schrijven zette. Zonder dat hadden we wellicht nooit zijn memoires gehad.

Deze uitgave van Casanova’s wraak verscheen als bibliofiele uitgave bij de Brandon Pers, een kleine Tilburgse uitgeverij die al sinds 1971 bijzondere boekjes uitgeeft. De uitgave bestaat uit twee afzonderlijke bandjes (de vertalingen en de toelichtingen), bijeengehouden door een buikbandje, met in deel één een leeslint en in een beperkte oplage van honderdveertig genummerde exemplaren.

Giacomo Casanova, Casanova’s Wraak. Lessen in vernedering en nederigheid. Uit het Frans vertaald en van toelichtingen voorzien door Ed Schilders. Tilburg: Brandon Pers 2017,
61 pp. (doorgenummerd),
17,50 (exclusief verzendkosten).

Te bestellen via cvanraak@online.nl

 

© Brabant Cultureel 2018