TextielMuseum in Tilburg toont zomerse mode uit bruisende jaren twintig

Dat de jongerencultuur niet midden jaren vijftig, maar al in de jaren twintig ontstond, toont het TextielMuseum in Tilburg met de expositie ‘1920s Jazz Age | Fashion & Photographs’. Een nieuwe generatie vrouwen – in de Verenigde Staten en Engeland ‘flapper’ genoemd – eigende zich een nieuwe levensstijl toe met veel vrijheden. Modeontwerpers in Parijs legden hiervoor de basis met een nieuwe, korsetloze mode die de vrouw letterlijk meer bewegingsvrijheid gaf.

door Irma van Bommel

Alsof het voor het eerst in eeuwen zomer is geworden. Zo ziet het nieuwe modebeeld van de jaren twintig eruit. Na eeuwen van strak zittende en het hele lichaam bedekkende kleding, waarbij het keurslijf werd bepaald door een korset, moeten de losse en luchtige jurken van de jaren twintig een verademing zijn geweest voor de vrouw. De ‘roaring twenties’ worden geassocieerd met jazzmuziek, de Charlestondans, de loszittende, rechte jurk met lage taille, het korte bobline kapsel en de lange sigarettenpijpjes. Het TextielMuseum toont een genuanceerder beeld.

Blik in de expositie ‘Jazz Age’. Foto Tommy de Lange

Jazzmuziek
Maar liefst honderdvijftig haute couture en prêt-à-porter kledingstukken van 1919 tot 1929 worden er getoond. Door de vele filmfragmenten en de jazzmuziek komen de bruisende jaren twintig tot leven. Aan de jaren van voorspoed en optimisme kwam echter door de beurscrash in 1929 een plotseling eind.

De Parijse modeontwerper Paul Poiret introduceerde begin twintigste eeuw al een modelijn die zonder korset gedragen kon worden. Ontwerpers als Jeanne Lanvin en Coco Chanel pikten deze nieuwe lijn snel op. In principe ging het om een korsetloze mode, maar voor wie wat molliger was en ook aan de nieuwe ‘garçonlook’ wilde voldoen, bleven er nog steeds korsetten in de handel, zij het dat dit nieuwe type minder schadelijk was voor de romp.

Klik op de afbeelding voor foto’s van de tentoonstelling.

Het decennium na de Eerste Wereldoorlog stond in het teken van maatschappelijke veranderingen. Meer jonge vrouwen dan voorheen werkten buitenshuis en vrouwen kregen stemrecht. Deze veroverde vrijheid vertaalde zich in een nieuwe manier van leven en een nieuwe kledingstijl. Door de toenemende welvaart kreeg men meer vrije tijd en kon er worden gesport, gereisd en ook feest gevierd. In de Verenigde Staten en in Engeland ontwikkelde zich zelfs een subcultuur voor jongeren die een vrijere omgangsvorm opeisten. De jeugd ontmoette elkaar op lokale dancings of aan het strand.

Liggend
In deze expositie wordt vooral de haute couture getoond, jurken van luxe, dunne stoffen zoals zijde, versierd met kraaltjes en pailletten of borduursels. Dat is begrijpelijk, want de kledingstukken zijn nu bijna een eeuw oud en je bewaart uiteraard vooral de kostbare exemplaren. Sommige jurken zijn zo zwaar en de stof zo dun dat ze alleen nog liggend getoond kunnen worden. Zoals een jurk met een trompe-l’oeil motief dat doet denken aan de ontwerpen van de Italiaanse Elsa Schiaparelli.

Actrice Gilda Gray in mode van Lucien Lelong, 1925. Foto James Abbe (James Abbe Archiv)

Naast de haute couture werd in Parijs ook de prêt-à-porter mode ontworpen, die via luxe warenhuizen over de hele wereld en via postorderbedrijven (de voorlopers van onze webshops) werd verkocht. De expositie toont behalve de chique uitgaanskleding ook de kleding voor overdag, makkelijk draagbare jurken, vesten en sportkleding. Enkele jurken zijn van rayon, een nieuw materiaal en een goedkoop alternatief voor zijde.

Mannequins (modepoppen) tonen de kledingstukken in thema’s naar gebruik, zoals boudoir, picknick, avondkleding, tenniskleding en strandkleding. Overigens werd het woord ‘mannequin’ (afkomstig van Nederlands ‘manneken’) aanvankelijk alleen gebruikt voor modepoppen. Pas later werd de term ook gebruikt voor de vrouwen die de kleding in levenden lijve gingen tonen op modeshows. Voor de expositie in het TextielMuseum maakte Berry van Gerwen uit Breda bij elk thema een passend en sfeervol paneel. Bij het thema ‘Boudoir’ lezen we dat de pyjama voor de vrouw, bestaande uit broek en jasje, aanvankelijk voor binnenshuis bedoeld was, maar geleidelijk aan ook gedragen werd als gemakkelijke kleding op het strand, wat verderop in de tentoonstelling is te zien.

In de jaren twintig toonde de vrouw zich voor het eerst in luchtige jurken van dunne stof. Foto Tommy de Lange

Het waren vooral de mode-illustraties die de nieuwe lijn verspreidden. Op de tentoonstelling zijn de illustraties te zien van de Amerikaanse Gordon Conway. Haar tekenstijl lijkt op die van Georges Lepape voor Vogue. Wat opvalt is dat de vrouwen in de tekeningen langer zijn dan in het echt. Dit had als doel om het lange, slanke silhouet te accentueren.

De eerste modefoto’s tonen actrices, bekend van theater of de bioscoopfilm, gekleed volgens de nieuwe mode. Hier worden foto’s (recente drukken) getoond van de Amerikaanse fotograaf James Abbe. Ook zijn er enkele kopieën uit tijdschriften te zien, onder meer van het Britse The Tatler. Het is jammer dat hier geen andere (mode)bladen zoals de toonaangevende Vogue, Harper’s Bazaar of Vanity Fair worden getoond, met foto’s van bijvoorbeeld Edward Steichen. De expositie belooft Fashion en Photography, maar het is vooral fashion en weinig photography. In het boek dat met dezelfde titel bij de expositie verscheen, staan overigens meer foto’s. Naast alle tentoongestelde kledingstukken staan hierin naast de foto’s die Abbe maakte van film- en theatersterren nog enkele andere modefoto’s en snapshot die een aardig beeld geven van het nieuwe modebeeld en de nieuwe levensstijl in de jaren twintig.

Door de soepel vallende jurken kregen de vrouwen in de jaren twintig letterlijk meer bewegingsvrijheid. Foto Tommy de Lange

Particulier
Deze tentoonstelling was eerder te zien in het Fashion and Textile Museum in Londen. De kledingstukken blijken uit een particuliere collectie te komen. Mooi is dat die prachtige collectie nu ook in Nederland is te zien. Jammer is echter dat niet op een of andere manier is getracht een beeld te schetsen van de situatie in Nederland in die jaren twintig. Het Gemeentemuseum in Den Haag heeft mode uit die jaren in de collectie en ook Nederlandse tijdschriften met modefoto’s. Zoals het tijdschrift Toneel, dat foto’s bevat van bekende toneelspeelsters uit die tijd die poseerden voor de Haagse modehuizen, waaronder Maison Hirsch. Die kleding droegen ze dan ook weer op het podium.

Gertrude Lawrence en Noel Coward in de musical revue London Calling! In het Duke of York’s Theater in Londen, 1923. Foto James Abbe (James Abbe Archiv)

Al rond de eeuwwisseling was de reformbeweging in Nederland actief in het propageren van een korsetloze mode en riep zij de lezers van tijdschriften als Maandblad der Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding of De Vrouw en haar Huis op om foto’s in te sturen van door henzelf ontworpen en gedragen kleding. Werden de aanhangers van de reformbeweging nog met de nek aangekeken vanwege het dragen van ‘hobbezakken’, in de jaren twintig werd dit de heersende mode. Met die hobbezakken viel het trouwens nogal mee. De expositie laat zien dat de Parijse modeontwerpers juist elegante jurken creëerden en zich niet beperkten tot de ‘hemdjurk’ met de lage taille.

Nog tot en met 4 maart 2018 is in het Haags Gemeentemuseum de expositie Art Deco te zien. Art Deco was een stroming in de toegepaste kunst die zijn oorsprong vond in de jaren tien. Voor wie wil zien welke beeldende kunst, toegepaste kunst, theater en mode ten grondslag lag aan de roaring twenties van de Jazz Age, kan in Den Haag zijn hart ophalen. Wat in beide exposities goed te zien is, is de invloed van beeldend kunstenaars op dessins, zoals van Sonia Delaunay, of de invloed van kunstwerken uit exotische oorden. Zo toont het TextielMuseum een jas met motieven die zijn geïnspireerd op de toen net (in 1922) ontdekte graftombe van Toetanchamon.

1920s Jazz Age | Fashion & Photographs,
tot en met 27 mei 2018 in het TextielMuseum in Tilburg.

www.textielmuseum.nl

 

Martin Pel & Terence Pepper, 1920s Jazz Age. Fashion & Photographs.
Londen: Unicorn 2016, 160 pp, ISBN 978-1-911604-22-8, pb., € 21,00.

 

 

© Brabant Cultureel 2018