Helmond Museum toont Constantin Meunier, arbeidersleed en proletarisch zelfbewustzijn

In de negentiende eeuw onderging de westerse wereld een energietransitie die mede de opstap vormde voor de overgangen waar wij nu voor staan. De massale industrialisatie ging niet alleen gepaard met roofbouw op grondstoffen en op mensen, maar riep ook een reactie op met arbeidersbewegingen, sociale ‘verheffing’ en oog voor andermans ellende, ook in de kunst. Constantin Meunier laat dat zien en Van Gogh bewonderde hem daarom.

door Lauran Toorians

Een belangrijk verzamelthema van Museum Helmond is al sinds lang ‘Mens en Werk’. In 2001 kreeg dit thema een belangrijke impuls toen het museum ruim driehonderd werken kon verwerven van Herman Heijenbrock (1871-1941), een kunstenaar die zich vrijwel volledig toelegde op de werkende mens, vaak in de zware industrieën van zijn tijd. In de tentoonstellingen in Helmond komt dit thema de laatste jaren niet vaak expliciet naar voren, maar dat is nu anders. In een fraaie tentoonstelling met werk van de Belgische kunstenaar Constantin Meunier wordt gezwoegd en afgezien in dienst van een baas.

De tentoonstelling van de Belgische kunstenaar Constantin Meunier in Museum Helmond. Foto Museum Helmond

Belastingontvanger
Constantin Meunier (1831-1905) werd geboren in Etterbeek – nu een deel van Brussel – als zoon van een belastingontvanger. Zijn oudere broer werd aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten opgeleid tot graveur. Ook Constantin ging naar deze academie, maar werd er al snel gegrepen door de beeldhouwkunst en besloot kunstenaar te worden. Toch werd hij niet meteen beeldhouwer. Nog tijdens zijn opleiding, die erg traditioneel was, kwam hij tot de conclusie dat het realisme dat in die tijd opkwam in de schilderkunst hem meer mogelijkheden bood om te reflecteren op de maatschappelijke en artistieke vragen van zijn tijd. Meunier werd dus schilder, maar in eerste instantie nog steeds met traditionele onderwerpen, vaak religieus van aard. Om de kost voor zijn gezin te kunnen verdienen, ging hij ook voor de burgerlijke markt werken: portretten, landschappen, genrestukken en interieurs en dergelijke meer.

In 1868 was hij medeoprichter van de Societé Libre des Beaux-Arts die vernieuwing voorstond en tentoonstellingen organiseerde van Franse realisten. Hij zocht toen dus wel degelijk nog steeds nieuwe wegen om zijn kunstenaarschap gestalte te geven. Tien jaar later bracht hij een bezoek aan Herstal bij Luik, een plaats waar al sinds de dertiende eeuw steenkool werd gewonnen en waar in de negentiende eeuw op grote schaal staalindustrie opbloeide, met name ook wapenindustrie. Meunier tekende en schilderde er arbeiders en viel daarmee op. Twee jaar later was hij een van de kunstenaars die werd uitgenodigd om illustraties te maken bij een serie artikelen van Camille Lemonnier (de ‘Belgische Zola’) over het moderne België van die tijd. Hiervoor bezocht hij opnieuw de provincie Luik, maar ook de Borinage, de mijnstreek in Henegouwen. Wat hij daar zag, bleef hem de rest van zijn leven inspireren en hij zou vaker naar de Borinage terugkeren.

Constantin Meunier, ‘Kolenraapster’, bronzen beeld 1893. Belfius Art Collection, België.

Financieel ging het Meunier nog steeds niet voor de wind toen hij in 1882 de opdracht aannam om naar Sevilla te reizen en daar een getrouwe kopie te schilderen van een Kruisafneming in de kathedraal van Sevilla. Het ging om een werk van de Vlaams-Spaanse schilder Pedro Campaña ofwel Pieter de Kempeneer (1503-1580). Eind negentiende eeuw was het nog gebruikelijk om in een (nationaal) museum ook kopieën van belangrijke schilderijen te tonen. De vijf maanden in Sevilla inspireerden Meunier erg en hij maakte er ook eigen, vrij werk waarin de kleurigheid en het heldere licht van Spanje de toon zetten. Een groot schilderij van het interieur van een tabakmanufactuur waarin vrouwen in een grote hal sigaretten rollen, werd door de Belgische kunstkritiek goed ontvangen en vestigde zijn reputatie. Dit weliswaar niet zonnige, maar wel kleurrijke schilderij is nu ook in Helmond te zien.

Inlevingsvermogen
Nu zijn kunstenaarschap algemene erkenning vond, ging Meunier ook weer beeldhouwen en het is als beeldhouwer, veel meer dan als schilder, dat hij nu wordt herinnerd. Hij verdiende er de bijnaam de Belgische Rodin mee en al gaat die vergelijking wel wat mank, de beelden van Meunier zijn zonder uitzondering krachtige en uiterst menselijke beelden die getuigen van een groot inlevingsvermogen. Enkele jaren later werd hij leraar schilderkunst aan de Academie van Leuven, waar hij in zijn atelier ook veel van zijn bekende beelden maakte. Hij was nu een gevestigd kunstenaar die grote opdrachten kreeg en in 1896 brak hij ook internationaal door met een grote expositie in Parijs waarop hij zo goed verkocht dat hij een woning kon bouwen in Elsene (Brussel) waar hij de laatste jaren van zijn leven zou wonen. Die woning, met atelier, is nu Constantin Meunier Museum.

Constantin Emile Meunier, ‘De ploeger’, bronzen beeld, 1896. Collectie Museum Helmond.

De tentoonstelling in Helmond plaatst Meunier in de context van tijdgenoten die zich eveneens lieten inspireren door werkende mensen in de zware industrie en op het land. Soms gebeurde dat om puur esthetische redenen. Vurige glasovens, gloeiend staal en gespierde arbeiders en arbeidsters, maar ook landschappen met moderne fabrieksgebouwen trokken de aandacht. Andere kunstenaars werden vooral aangesproken door de zwaarte van de arbeid en de veelal miserabele omstandigheden waaronder die werd verricht. Zij zagen in de kunst een middel om deze misère aan de kaak te stellen. Meunier zit daar een beetje tussenin. Hij had oog voor het leed en de vrijwel levensgrote beeldengroep van een moeder die voorovergebogen staat naast het lichaam van haar in de mijn omgekomen zoon kan niemand onberoerd laten. Dit beeld La Grisou (Het Grouwvuur) – helaas niet in Helmond te zien – maakte hij na een mijnongeluk in La Boule in de Borinage. Honderdtwintig mijnwerkers kwamen daarbij om het leven. In veel gevallen zijn Meuniers arbeiders echter zelfbewuste helden van de industrie en de vooruitgang. Een politieke bedoeling, zoals sommige van zijn collega-kunstenaars, had Meunier niet met zijn werk.

Wel aanwezig is een kleinere versie van het beeld van De zakkendrager, een uitgestorven beroep dat vooral in havens vaak voorkwam. Een levensgrote versie van dit beeld staat in de Suikerrui naast het stadhuis van Antwerpen op een sokkel met daarop de woorden ‘Arbeid Vrijheid’, een nogal beladen combinatie… Ook de beroemde Puddelaar is in Helmond te zien, zowel in de vorm van een buste als de volledige figuur die zittend op een kruk of een bankje met een lange stok in gloeiend heet, uitgegoten ijzer port om de kwaliteit van het afkoelende materiaal te verhogen. In het Engels heet die bewerking ‘puddling’ en het is een belangrijk onderdeel van het proces om van gietijzer smeedijzer of staal te maken. Het moet bijzonder zwaar en ook gevaarlijk werk zijn geweest en het beeld van Meunier laat goed zien dat het ook geestdodend was. Pure heroïek zien we dan weer in het beeld De ploeger en in de Jonge mijnwerkster met lamp.

Constantin Emile Meunier, ‘Trois hiercheuses’, olieverf op doek, 1885. Collectie Museum Helmond.

Vrouwen
Meunier maakte meer beelden van vrouwen die in de mijnen werkten. Het zijn steeds trotse jonge vrouwen die uitdagend poseren en zij werden door Meunier en anderen ook op schilderijen afgebeeld. In Nederland lijken nooit vrouwen in de mijnen te hebben gewerkt, maar in België was dat niet uitzonderlijk. Vaak was dat bovengronds werk, maar niet minder zwaar en evengoed gevaarlijk, zoals het voortduwen van de kolenwagens en het sorteren van de kolen. Eind negentiende eeuw vormden zij ongeveer tien procent van het werkvolk in de Belgische mijnen en ook in andere bedrijfstakken werkten vrouwen mee.

Meunier schilderde ook de gang van de arbeiders van en naar hun werk en hun armetierige woningen, hun schaarse vrije tijd thuis en in het café en hij beperkte zich ook niet tot mijnwerkers en fabrieksarbeiders, maar bracht ook het leven van boeren en vissers in beeld. Vincent van Gogh kende het werk van Meunier en bewonderde het precies hierom: het laat de menselijke kant van de arbeid zien.

Constantin Meunier, ‘Ecce Homo’ bronzen beeld, ca 1892. Collectie Mesdag, Den Haag / Van Gogh Museum Amsterdam

Van Goghs thuiswevers of zijn Aardappeleters hadden in deze tentoonstelling kunnen hangen, maar die zijn er niet. Wel is er werk van een keur aan tijdgenoten die eveneens hun inspiratie vonden in het ‘hard labeur’. De al genoemde Heijenbrock, natuurlijk, met fraaie pasteltekeningen, maar onder andere ook Jan Toorop, Anton van Rappard, Camille Pissaro, Richard Roland Holst, Suze Robertson, Willem Witsen, Emile Claus en de in Noord-Brabant geboren en opgegroeide Pieter de Josselin de Jong aan wie tegelijkertijd een tentoonstelling wordt gewijd in Museum Mesdag in Den Haag.

Bij leven nam Meunier enkele malen deel aan groepsexposities in Nederland, maar tot een doorbraak in ons land leidde dat niet. Individuele waardering was er wel en al in 1892 kocht Willem Hendrik Mesdag, toen voorzitter van Pulchri Studio in Den Haag, het beeld Ecce Homo. In de tentoonstelling wordt gesuggereerd dat Meunier in Nederland nog wel enige tijd bekend bleef. Dat gebeurt aan de hand van een spotprent die Georges van Raemdonck (1888-1966) – de tekenaar van Bulletje en Bonestaak – maakte op basis van een werk van Meunier. Maar Van Raemdonck was een Vlaming die in 1914 als vluchteling naar Nederland kwam. Hij was een jongere landgenoot van Meunier.

Constantin Meunier, ‘Het cabaret’, olieverf op doek. Belfius Art Collection, België. .

Films
De tentoonstelling is fraai opgebouwd en geeft de bezoeker net genoeg tekst mee om de getoonde werken in hun context en tijd te kunnen plaatsen. Op zaal is voor vijftig eurocent een bescheiden boekje verkrijgbaar met achtergrondinformatie en een deel van de zaalteksten.

Aan het eind van de tentoonstelling worden in een aparte zaal twee films vertoond die het zeker lonen om ze helemaal te bekijken. De ene is de Vlaamse documentaire Constantin Meunier die in 1960 is gemaakt door Paul Flon. Het is een soort heiligverklaring van de grote Belgische kunstenaar met fraaie beelden en prachtig gesproken Nederlands. De film laat goed zien hoe rond 1960 België nog volop één land was, op zoek naar één nationale cultuur, en waar het taalideaal onversneden ABN was.

Beeld uit de film ‘Misere au Borinage’ uit 1934, van Joris Ivens en Henri Storck.

De andere film is Misère aux Borinage, gemaakt door Joris Ivens en Henri Storck. De film is gedraaid in 1932 en kwam uit in 1934, dus volop in de economische crisis die in de Borinage aanleiding gaf tot enkele massale stakingen van de mijnwerkers. Wie Ivens zegt, zegt communisme en de propaganda druipt er inderdaad vanaf. Wie daar doorheen kijkt ziet een prachtige film die wel degelijk goed de ellende in beeld brengt waarin de stakende mijnwerkers verkeerden. In relatie tot de tentoonstelling verdient deze film echter wel een kanttekening die in het museum niet wordt gemaakt. Ivens filmde misère op een moment dat die op een dieptepunt was en met het doel om die ook nog eens sterk aan te zetten om zo de kijker naar de heilstaat te lokken. Veertig en vijftig jaar eerder was het leven van de arbeiders en mijnwerkers ook zwaar – zwaarder wellicht dan een stratenmaker of betonvlechter van nu zich kan voorstellen – maar het was toch voor velen ook een tijd van hoop en vertrouwen in de toekomst. De mannen en vrouwen van Meunier – of toch de meeste daarvan – kijken zelfbewust en vol beroepseer de wereld in. Dat deden zij in 1932 niet meer. Toen was er hooguit nog vechtlust om te overleven.

‘Constantin Meunier. Ode aan de arbeider’, tot en met 4 maart 2018 in Museum Helmond / Kunsthal.

www.museumhelmond.nl

De film van Sorck en Ivens is in meerdere versies te vinden op Youtube. Hier is het in 2014 gerestaureerde origineel

 

© Brabant Cultureel 2017