Nieuw boek belicht laatmiddeleeuws houtsnijwerk van Brabantse makelij

De koorbanken van Oirschot gingen in 1944 verloren, maar iedereen kent ze. Het kunstige houtsnijwerk met vaak vermakelijke details spreekt gemakkelijk tot de verbeelding. Christel Theunissen schreef een boek over de koorbanken in laatmiddeleeuws Brabant waarbij zowel het beeldhouwwerk als de beeldhouwers en hun opdrachtgevers uitvoerig belicht.

door Lauran Toorians

In zijn eerste brief aan de christenen in Thessalonica riep de apostel Paulus hen op om zonder ophouden te bidden. Op basis van deze oproep en in combinatie met de al veel langer bestaande joodse gewoonte om op vaste uren te bidden en psalmen te zingen ontstond in de vroege christelijke kerk het ‘urengebed’, ook wel bekend als getijden, breviergebed of koorgebed. Voor katholieken met een wijding van diaken of hoger is dit een verplichting. Dit urengebed bestond oorspronkelijk uit de vaste, dagelijkse cyclus van acht gebedsmomenten: de metten om middernacht, lauden rond zonsopgang, priem rond zes uur, terts rond negen uur, sext rond twaalf uur (mid-dag), none rond drie uur in de namiddag, vespers rond vijf uur en completen rond acht uur. De gebeden bestaan in hoofdzaak uit psalmen en elke week wordt zo de hele cyclus van honderdvijftig psalmen uit het gelijknamige Bijbelboek gelezen of gezongen. Na het Tweede Vaticaans Concilie is dit strakke regime van het urengebed versoepeld, maar tot die tijd vormde het de kern van de liturgische praktijk in vrijwel alle christelijke kerken. Het gebed markeerde de tijd en hield die als het ware gaande.

Het koorgestoelte in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Aarschot, gefotografeerd in 1910. Foto uit besproken boek

Gezamenlijk
In de meeste kloosters werden en worden deze getijden gezamenlijk gebeden en in grotere kerken waarin aan meerdere altaren priesters waren verbonden, gebeurde dit in het verleden vaak ook. Ook ontstonden al vrij vroeg in de middeleeuwen colleges van aan een kerk verbonden koorzangers die dit ritueel volgden. Hieruit ontstonden kapittels met kanunniken die geen volledige kloostergeloften aflegden en wier voornaamste taak dit koorgebed was. Deze getijden werden gezongen in het koor van de kerk – vandaar ook de naam van die ruimte – dichtbij het altaar en afgescheiden van de rest van de kerk.

De banken waarin de deelnemers aan het koorgebed tijdens de gebedsdienst zaten, ontwikkelden zich tot een specifiek stuk kerkmeubilair, de koorbanken. Het koorgebed zelf werd staand gezongen en in de loop van de middeleeuwen ontwikkelden de koorbanken zich zodanig dat er hoge leuningen waren waarop de zangers konden leunen. Vervolgens werd het zitbankje opklapbaar en uitgerust met een steunbalk waar de zanger staand tegenaan kon leunen. Ook in de kerk dient het gemak de mens. In de late middeleeuwen werden deze koorbanken steeds rijker versierd met houtsnijwerk en werden het ware kunstwerken, waarbij de onderkanten van de opklapbare zitbankjes vaak werden voorzien van uitbeeldingen van vermanende spreekwoorden en gezegden. Zij behoren tot de hoogtepunten van laatgotisch en vroegrenaissance houtsnijwerk.

Zijaanzicht van de koorbanken in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Aarschot, gefotografeerd in 1910 of 1911. Foto uit besproken boek

Goed bewaarde koorbanken zijn zeker in de Nederlanden betrekkelijk zeldzaam. Veel mensen kennen de koorbanken van Oirschot door het wijd verspreidde fotoboek dat Martien Coppens hieraan wijdde. Deze banken gingen door oorlogsgeweld verloren, maar waren behalve door Coppens ook al door anderen goed gedocumenteerd. Ondanks dat zij er dus niet meer zijn, zijn we over deze koorbanken goed geïnformeerd. Zo weten we ook dat zij werden gemaakt door de Eindhovenaar Jan Borchmans die ook de koorbanken in Aarschot (Vlaams-Brabant) maakte. In 2011 verscheen al een boek over deze twee series koorbanken waarin (op een dvd) die van Oirschot werden gereconstrueerd. Christel Theunissen, die ook aan dat boek meewerkte, heeft nu een boek gemaakt over Koorbanken in Brabant, 1425-1550. In cultureel opzicht hebben we het hier over de Gouden Eeuw van het hertogdom Brabant.

Toegankelijk
In dit nieuwe boek beschrijft Theunissen op toegankelijke wijze het ontstaan en de ontwikkeling van koorbanken in het algemeen en specifiek in Brabant. Veel aandacht is er voor het maakproces van de banken, van het verlenen van de opdracht aan schrijnwerker en beeldsnijder tot aan de oplevering. Centraal daarbij staat Jan Borchman over wie relatief veel bekend is. Hij werkte in (ruwweg) de eerste twee decennia van de zestiende eeuw in Oirschot, in de abdij van Averbode en in Aarschot zowel in de Onze-Lieve Vrouwekerk als in het klooster Sint-Niklaasberg. In de twee laatste hoofdstukken komt het Brabantse karakter van dit beeldsnijwerk aan bod, en de iconografie. Daarna volgen dan nog zo’n honderd bladzijden met bijlagen waarvan de beschrijvingen van het houtsnijwerk in Aarschot en Oirschot bijzonder gedetailleerd is en de meeste ruimte inneemt.

Onze-Lieve-Vrouwekerk, Aarschot. De banken aan de zuidzijde van het koor. Foto uit besproken boek

Voor de liefhebber van laatmiddeleeuws houtsnijwerk is dit boek een belangrijk naslagwerk. De titel van het boek is echter wel wat ruim genomen. Het boek gaat vooral over Aarschot en Oirschot en koorbanken elders in het oude hertogdom worden weliswaar als vergelijkingsmateriaal genoemd en zijn in Bijlage I keurig in een lijst opgenomen, maar komen verder nauwelijks aan bod. Zo bevindt zich net over de landsgrens in Hoogstraten in de Sint-Catharinakerk behalve een behoorlijk gaaf koorgestoelte uit 1532-1548 ook een kleiner koorgestoelte uit ongeveer 1475 dat afkomstig is uit de voorganger van deze imposante kerk. Misschien een onderwerp voor ‘Koorbanken in Brabant, deel twee’?

 

Christel Theunissen, Koorbanken in Brabant 1425-1550. ‘Van goeden houte gemaekt’. Het werk van laatmiddeleeuwse schrijnwerkers en beeldsnijders. Nijmegen: Vantilt 2017, 372 pp., ISBN 978-94-6004-333-8, hb., € 29,50.

Ook nog verkrijgbaar:

Jos Koldeweij e.a., De koorbanken van Oirschot en Aarschot gezien door de lens van Hans Sibbelee en Jan Verspaandonk. Nijmegen: Vantilt 2011, 178 pp. + dvd, ISBN 978-94-6004-085-6, hb., € 24,95.

www.vantilt.nl

 

© Brabant Cultureel 2017