Openbaringen

door Auwke Peekstok

Nog maar enkele uren te gaan en de zon heeft haar onvermijdelijke gang richting horizon voltooid, maar het is nog steeds heel heet. De aarde is één grote bakplaat. Al maanden hangt er boven het eiland een hardnekkig hogedrukgebied dat van geen wijken weet. Maar deze zondagnamiddag voelt de hitte anders aan, alsof er iets onbestemds in de lucht hangt.

Hoewel Carlo Borg de airco op de hoogste stand heeft gezet, dringt de hitte zelfs door tot in de auto. “Heb je een scheet gelaten?” vraagt hij aan zijn vrouw Minda. Zij reageert niet, ze kijkt naar een punt ergens in de verte. In de achteruitkijkspiegel ziet hij de kwispelende staart van Batman, de hond. Die ligt met zijn kop op de hoedenplank en ziet het landschap in z’n achteruit aan zich voorbij trekken. “Gatver, wat een stank! Dit is niet te harden!” Hij laat de achterste portierraampjes een klein stukje zakken. “Wat heb je dat beest te eten gegeven?” Zijn vrouw is te diep in gedachten verzonken. Eigenlijk ben ik een eersteklas lul-de-behanger dat ik elke zondag deze rit maak. Misschien moet ik tegen Minda zeggen dat ik er klaar mee ben en dat zij zelf maar voor vervoer moet zorgen. Ik had nu met mijn maten aan het bier kunnen zitten. Maar ja…

Carlo en Minda zijn ruim twintig jaar getrouwd. Ze kennen elkaar van kinds af aan. Minda was het buurmeisje van Carlo. Sinds die tijd hebben zij elkaar nooit meer los kunnen laten. Hij werkt bij een autoverhuurbedrijf op de luchthaven en zij drie dagen per week als schoonmaakster in een hotel.

Inmiddels rijden zij op een onverharde weg tussen muren van gestapelde stenen, alsof ze in een doolhof zijn beland op zoek naar de uitgang. Batman ziet nu alleen maar stofwolken. Enkele braamstruiken die een weg tussen de stenen hebben gevonden, schrapen de auto. Op sommige plaatsen is de landweg verbreed zodat een tegenligger kan passeren. Carlo verbijt zich achter het stuur van zijn Fiat Croma. BONK! Een zware klap onder de auto. Hij remt fel! Batman wordt tegen de voorstoelen geworpen en blaft van schrik. Minda schiet met een schok naar voren, back to reality: “Kun je niet een beetje uitkijken, je zit hier niet op een racecircuit.” “Ja, hallo, ik kan toch niet elke k… (hij wil ‘kutsteen zeggen’, maar kan zich nog net inhouden) kei op deze klote weg zien, ik heb niet de ogen van een insect!”

Had ik het hem moeten vertellen? Ik weet hoe hij zou reageren. Dat ik helemaal van het padje ben en me teveel laat leiden door dromen en prietpraat van die gestoorde… Dadelijk staat er iets groots te gebeuren. Misschien toch maar goed dat ik het hem niet heb verteld, want stel dat… Nee, dat mag ik niet denken!

Foto Auwke Peekstok

Zij denkt na over het briefje dat ze gisteren heeft aangetroffen in één van de kamers van het hotel. Daarop stond een bedankje voor het schoonmaken van de kamer. Naast het briefje lag een envelop met geld. Nu is het ten strengste verboden om geld, ook al ligt dit open en bloot, mee te nemen van de kamers. Maar dit was anders, ze zag het als een teken van boven. Uit dankbaarheid had ze een boodschap op de envelop geschreven en deze op het bed gelegd:

En dat bedankje! Niemand heeft haar ooit bedankt, zelfs Carlo niet. Ook al maakt ze de lekkerste pastagerechten, er kan geen bedankje af. Na het toetje ploft hij verzadigd op de bank en ligt even later samen met Batman de dikste, grootste en hardnekkigste bomen door te zagen. Zij mist daardoor een groot deel van ‘De vinger van God’, haar favoriete tv-programma waarin mensen vertellen over bijzondere ervaringen en gebeurtenissen in hun leven. Carlo haat tv, hij vindt het allemaal nep; zogenaamde deskundigen in praatprogramma’s die zich vooral bezighouden met het spekken van hun eigen portemonnee en die in hun beschouwingen meer oog hebben voor de neptieten van de gebronsde presentatrice dan voor de problemen in de wereld. Spelletjesprogramma’s waarin mensen op voorwaarde van zich imbeciel te gedragen twee consumptiebonnen krijgen. Hij kan zich hier allemaal vreselijk over opwinden. Zelfs verslagen van voetbalwedstrijden hoort hij het liefst op de radio, zoveel haat hij de tv.

Voordat zij hun weg vervolgen, ziet Carlo in zijn achteruitkijkspiegel een Opel Corsa. In één oogopslag ziet hij dat het een huurauto van de firma is. Wat hebben toeristen hier te zoeken? Of zijn zij misschien verdwaald? Na een tijdje splitst de weg zich in tweeën en komen ze aan bij enkele woningen die zijn gebouwd met dezelfde stenen als de muren langs de weg. Hij parkeert de auto bij één van de woningen. Er staan nog enkele auto’s, even grijs en ongewassen als zijn Fiat Croma. Minda stapt uit. Zij is gekleed in stemmig zwart, met in haar rechterhand een zwart gelakte handtas. Ze zwaaide nog naar hem, maar hij is intussen alweer bezig met andere dingen. Alleen Batman blaft. Carlo opent het portierraampje en steekt een sigaret aan. Uit de auto komen geluiden van het verslag van een voetbalwedstrijd. Je zou verwachten dat zij, gezien haar feestelijke outfit, in de richting van een van de huizen zou lopen. Maar zij volgt een pad langs overrijpe graanvelden.

Inmiddels is ook de Opel Corsa met de toeristen aangekomen. Zij stappen uit en lopen gretig naar het bord langs de kant van de weg, alsof ze hier een aanwijzing kunnen vinden om uit deze doolhof te komen. Op het bord stond: Kerk der Openbaringen. De toeristen kijken verbaasd in het rond. In geen velden of wegen is er een kerk te zien.

Misschien zijn zij wel even verbaasd als de achttienjarige Maria Mendes, dochter van boer Mario Mendes, die hier op een zondagmiddag precies honderd jaar geleden door de velden liep op weg naar haar vrijer. Die twee hadden voor hun eerste date – en laatste, maar dat wisten zij toen nog niet – afgesproken in de open schuur van haar vader. Die hield op zondagmiddag een uitgebreide siësta, dus dat kwam goed uit. De schuur, een ommuurde rechthoekige betonnen vloer met rondom palen en een dak van stro, stond in een rommelig landschap met enkele ontgonnen velden en was gebouwd om het vee, voornamelijk schapen, enkele geiten en wat rundvee, beschutting te bieden tegen de brandende zon en een slaap- en schuilplaats voor de nacht. En nu kreeg deze schuur dus een nieuwe functie.

Maria, best zenuwachtig voor haar eerste afspraakje, hoorde snikkende geluiden die uit het hoge gras langs de kant van het pad kwamen. Nieuwsgierig liep zij het gras in en zag daar tot haar verbazing een puntgaaf Mariabeeld liggen, met tranen op de wangen. Zij dacht niet meer aan haar date, vergat zelfs (gelovig als zij was) drie Weesgegroetjes te bidden, rende naar huis en maakte haar vader wakker. Die was niet blij om zo uit zijn dromen gerukt te worden, wat was op te maken uit zijn drie vervloekingen! Vloekend droop ook de vrijer van Maria uiteindelijk af toen hij besefte dat zij niet kwam opdagen.

Al snel deed het verhaal de ronde dat de heilige maagd Maria zich in een betraand Mariabeeld had geopenbaard aan boerendochter Maria Mendes. Hoe het beeld daar was terechtgekomen, weet men tot op de dag van vandaag nog steeds niet. De bisschop van het eiland reageerde alert. Dit zou hem wel eens zijn mijter kunnen kosten. In een herderlijke brief vroeg hij om in elke kerk op het eiland, en dat waren er nogal wat, uit te zoeken of er geen beeld werd vermist. Elke sokkel bleek bezet.

De eerste jaren was het hierbij gebleven. Het Mariabeeld stond inmiddels vredig tussen het vee in de open schuur van boer Mendes, als een kerststal in opbouw. Maar toen ook nog bekend werd dat gebeden van Maria Mendes hadden gezorgd voor een aantal spectaculaire genezingen, werden de mensen – onder aanvoering van boer Mendes, de vader van Maria – aan het denken gezet. Hoe moest men deze openbaringen zien? Wat had de heilige maagd Maria precies duidelijk willen maken? Want één ding was inmiddels zeker: dit was niet zomaar iets, dit kon allemaal geen toeval zijn. Mario boerde de laatste jaren slecht en hij kon met de opbrengst van zijn land en enkele stuks vee nauwelijks zijn gezin onderhouden. Misschien waren deze openbaringen wel speciaal voor hem, als een lot uit de loterij.

Op een zondagmiddag kon Mario Mendes de slaap niet vatten en bladerde hij wat in een van de vele oude boeken die hij bezat. Een achterneef van Mario, die op de grote vaart zat, bracht af en toe een boek voor hem mee. Veel van die boeken waren geschreven in een voor hem onleesbare taal, maar dat boeide hem niet. Hij had iets met boeken, vooral boeken met gouden letters op het kaft. Eén zin uit het boek in zijn handen trok als een magneet zijn aandacht: ‘In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.’ Het boek was geschreven door ene Goethe en aan de binnenzijde van het kaft stonden een naam, C. Hausmann, en een handtekening. Toen zijn achterneef enkele maanden later terug was van een verre reis vertaalde die de zin voor hem: ‘In de beperking toont God zich.” Achteraf bleek dit niet helemaal de juiste vertaling te zijn, maar toen kwam dat goed uit.

Foto Auwke Peekstok

En nu wist Mario het zeker. Dit kon allemaal geen toeval zijn. Deze openbaringen en zijn zakelijk instinct brachten hem op het idee om zijn open schuur te gaan verhuren – vanzelfsprekend tegen een ‘geringe’ vergoeding – aan een nieuw op te richten kerk, met Maria, zijn dochter, en Maria het beeld als middelpunt: Kerk der Openbaringen. Het moest een kerk worden zonder gebouw, zonder prots en praal, terug naar de natuur en terug naar de basis van het ware geloof. Mario verkocht zijn beesten op de veemarkt, haalde het dak van zijn open schuur, brak de palen af en plaatste op de betonnen vloer zitbanken van stenen die het landschap van nature rijk was. Hij was boer af en vanzelfsprekend werd hij de eerste voorganger van de nieuwe kerk. En tot op de dag van vandaag is er elke zondagmiddag om vijf uur, midden in het landschap, een openluchtdienst ter nagedachtenis aan Maria Mendes en ter ere van de heilige maagd Maria.

Blijkbaar nieuwsgierig geworden door wat er op het bord staat, lopen de toeristen hetzelfde pad als Minda. Na tweehonderd meter komen zij aan bij ‘de kerk’, een open ruimte met stenen banken in rijen opgesteld. Aan het eind staat een verhoging met een lange tafel, waarboven een afdakje op palen is gebouwd. Links, prominent aanwezig, het Mariabeeld in een blauw geschilderde mantel. Op de voorste rijen zitten enkele vrouwen en een echtpaar te bidden met een rozenkrans in de handen. Eén vrouw bidt hardop: “Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u. Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is…”

Mari Mendes, vernoemd naar zijn oudtante en sinds 2000 voorganger van de Kerk der Openbaringen, woont samen met zijn vrouw en zoon van twaalf in het huis waar Maria ooit geboren was. Deze zondagmiddag is hij alleen thuis. Zijn vrouw en zoon zijn afgelopen woensdag halsoverkop met het vliegtuig vertrokken naar Bari, omdat haar vader een beroerte had gekregen. Vandaag vliegen zij terug. Hij heeft zich moed ingedronken, klinisch gezien teveel.

Die kerkwijn is koppiger dan ik dacht!

Omdat het ledental van de kerk de laatste jaren sterk achteruit loopt en hij zijn baan op de tocht ziet staan, heeft hij vorige week in een overmoedige (aangeschoten?) bui aangekondigd dat de viering van vandaag bijzonder zal worden en dat er een teken van Maria is te verwachten. Welke Maria liet hij in het midden, omdat dit zijn kans vergrootte. Het is immers precies honderd jaar geleden dat Maria zich hier aan Maria heeft geopenbaard. Als een alcoholist die de ochtend na een avond doorzakken wakker wordt met een enorme kater, heeft hij al snel spijt van zijn aankondiging over deze openbaring. Wat ben ik een eikel! Hoe organiseer je een openbaring? Wacht ik af tot er werkelijk iets gebeurt, of ga ik een handje helpen?

Dit laatste ging hij doen. Zelfs de CEO van Apple zou deze keus hebben gemaakt en zakelijk instinct zit in de familie. Aan zijn voorbereiding zal het niet liggen. Op zijn cassettedeck heeft hij afgelopen maandag muziek gezet van Arvo Pärt: minimalistisch, hypnotiserend. Eenvoud in zijn puurste vorm en passend bij de beginselen van de kerk. Ook heeft hij een tekst gemaakt om zich min of meer in te dekken voor het geval er niets bijzonders zou gebeuren. De spanning steeg naarmate de zondag dichterbij kwam.

En nu ligt hij in zijn wit ambtsgewaad gestrest en met een stekende koppijn op de bank, een glas kerkwijn binnen handbereik. Hij kijkt naar de foto van zijn oudtante die boven het dressoir in de woonkamer hangt. In stilte vraagt hij haar om hulp, om een wonder, om een nieuwe openbaring. Hij loopt naar het dressoir en steekt drie waxinelichtjes aan. Misschien hielp dat. Hij schenkt nog eens in, loopt met zijn glas in de hand naar het raam en gluurt door een spleet van de gesloten luiken. Er staan slechts enkele auto’s geparkeerd. In één daarvan ziet hij Carlo en zijn hond. Eigenlijk heeft hij wel bewondering voor die gast, dat hij trouw elke zondag Minda naar de dienst brengt en dan zelf koppig in de auto blijft zitten. Hij heeft ballen!

Wankelend loopt hij terug de woonkamer in. “Sodeju,.….” Voor hij de scheldkanonnade kan afronden, stort hij ter aarde, gestruikeld over zijn eigen ambtsgewaad. Het effect van zijn val is groot. Niet alleen de vloer, maar ook zijn maagdelijk wit ambtsgewaad zit nu onder de wijnvlekken. Daarnaast heeft hij in zijn val een waardevolle antieke vaas meegesleurd, een erfstuk uit de familie van zijn vrouw. Die ligt nu verspreid over de vloer als een puzzel voor gevorderden. Dit wordt gedonder in de glazen! Hier ga ik de rest van mijn leven last van ondervinden! Het is afgelopen! Het enige wat ik nu nog kan doen is het bijltje erbij neergooien. Honderd jaar is mooi geweest! Misschien kan ik van de kerk een toeristische attractie maken, dat levert meer op. Ik moet Carlo daar dadelijk eens over spreken. Mogelijk dat Minda ook kan helpen, die werkt tenslotte in een hotel. En mijn vrouw zal het geweldig vinden. Dan kunnen we eindelijk verhuizen naar de stad, wat ze zo graag wil en dan … Zo maalt hij even verder.

Illustratie Demian Geerlings

De ondergaande zon kleurt inmiddels de hemel paarsrood. Aan de horizon is nog een heldere lichtstrook te zien, als een laatste ontsnappingsroute uit dit landschap vol drama. Carlo heeft de motor gestart om de airco even zijn werk te laten doen. Hij zit zo in de wedstrijd dat hij zichtbaar schrikt als Mari op het portierraampje klopt. Hij laat het raampje een stukje zakken. “Goedemiddag Mari, ik schrik me het apelazarus!” “Sorry Carlo, maar kan ik jou na de dienst even spreken?”

“Wanneer het weer zo’n preek is als de vorige keer dan kun je het wel schudden, je weet hoe ik erover denk!”

“Ja, ja, dat respecteer ik. Het gaat over iets…”

Het gesprek wordt abrupt beëindigd. “Goal!”, galmt het uit de autoradio en Carlo juicht uitbundig. Batman blaft. Mari vervolgt zijn weg. Over een uur is het afgelopen, dan kan ik een nieuw leven beginnen. Maar toch ben ik er niet helemaal gerust op. Met een zware tred als een chirurg die een patiënt het nieuws moet gaan brengen dat hij per ongeluk het verkeerde been heeft afgezet, loopt hij in de richting van ‘de kerk’.

Vlucht FR 9651 vanaf Bari heeft de daling ingezet. Op stoel 3E en 3F zitten de vrouw van Mari en hun zoon. Gelukkig is de situatie van haar vader stabiel. Altijd gespannen bij de landing, een spanning die op haar blaas drukt, heeft zij op het laatste moment nog gebruik gemaakt van het toilet. Nu brandde het lampje ‘riemen vast’. Haar zoon ziet door het vliegtuigraampje het eiland al liggen. Hij heeft een vette glimlach op zijn gezicht. Voor de juiste aanvliegroute, moet het vliegtuig eerst een grote bocht maken om vervolgens vanuit het westen het eiland dwars over te steken naar de landingsbaan in het oosten. Over vijftien minuten zullen zij landen.

Mari loopt langs de stenen banken en begroet elke zuster en broeder. Er zijn negenendertig mensen in de kerk waarvan hij er twee hij niet kent. Niemand reageert op het feit dat hij geen ambtsgewaad draagt. Blijkbaar is iedereen in een soortement van trance, in afwachting van wat komt. Hij neemt plaats achter de grote tafel onder het afdakje. “Beste zusters en broeders, vandaag gedenken wij dat honderd jaar geleden de heilige maagd Maria (hij kijkt naar het beeld) zich openbaarde aan mijn oudtante Maria. Als eenvoudige boerendochter was zij uitverkoren om niet alleen de goddelijke aanwezigheid en macht te ervaren, maar deze ook uit te dragen. Dat dit landschap de uitgelezen plaats is voor deze openbaring is eigenlijk zo gek nog niet als je beseft dat ruim tweeduizend jaar geleden in ongeveer dezelfde omstandigheden de Allerhoogste zich openbaarde in een stal in Bethlehem.” Hij zet de versterker in de hoogste stand, plaatst de cassette in de recorder en drukt op play. Maar in plaats van de spirituele, hemelse muziek van Arvo Pärt klinkt het aardse nummer van The Chainsmokers & Coldplay, ‘Something just like this’:

I’ve been reading books of old
The legends and the myths
Achilles and his gold
Hercules and his gifts
Spiderman’s control
And Batman…

“Batman, koest”, roept Carlo. De muziek in de kerk staat zo hard dat deze zelfs is te horen in de auto. Batman hoorde zijn naam en blafte uitbundig. Waar is die gek mee bezig? Kan ik nog niet eens op mijn gemak naar een voetbalwedstrijd luisteren! Eerst laat die idioot me schrikken en nu dit. En dan wil hij me dadelijk ook nog spreken. Zeker of ik nog een goede psychiater voor hem weet.

De zusters en broeders in de kerk kijken elkaar aan, maar hebben blijkbaar alle vertrouwen in de muziekkeuze van hun voorganger. Dadelijk zal hij wel uitleggen wat het verband is tussen de muziek en deze bijzondere viering. Mari daarentegen staat versteend als de vrouw van Lot in het Bijbelse verhaal, die omkeek naar Sodom en veranderde in een zoutpilaar. Maar hij komt snel tot bezinning. Die rotzak heeft mij een streek geleverd. Nu krijgt hij dus voorlopig zijn mobieltje helemaal niet meer te zien. Vorige week heeft hij de mobiel van zijn zoon in beslag genomen, omdat hij al voor de tweede keer zijn bundel heeft overschreden. En pappa mag dit financieel verschil natuurlijk aanvullen. Nou, ik ben er mooi klaar mee.

Mari drukt op stop. Dan nu maar gelijk het slechte nieuws, de opheffing van de kerk. Ik kan nu niet meer terug, zeker niet na deze muziek. “Elke week herdenken en vieren wij de openbaring van honderd jaar geleden en sinds die tijd wachten wij als het ware op een nieuwe openbaring. Nu kun je communicatie met de Allerhoogste niet afdwingen. Dat is wel even iets anders dan een praatje maken met de buurvrouw. Je moet daarvoor uitverkoren zijn, net zoals mijn oudtante. Het aantal leden van onze kerk daalt de laatste jaren drastisch. Misschien is dit wel een signaal van boven dat… WHAAHH!” Mari slaakt een kreet, de kerkgangers gillen. Met een donderende klap heeft een blauwe ijsklomp ter grootte van een basketbal het afdakje doorboord. De klomp spatte uiteen op de zware eiken tafel en het pak van Mari zit onder de blauwe ijsspetters. In shock zakt hij door zijn knieën, alsof hij in gebed gaat. Zevenendertig broeders en zusters volgen zijn voorbeeld en gaan hardop in gebed. Het heeft iets weg van een Gregoriaans gezang of van Arvo Pärt. Het smeltende ijs veroorzaakt een enorme stank, maar dat schijnt niemand te deren. Zij zijn immers getuige van een nieuwe openbaring. De voorganger had het beloofd en zij hebben het met eigen ogen mogen aanschouwen.

Alleen de twee toeristen hebben het gezien. Vlak voordat het ijsblok op de tafel uiteen spatte, opende zich het landingsgestel van een overvliegend vliegtuig dat de landing inzette naar de luchthaven op het eiland.

 

Auwke Peekstok (Stad aan ’t Haringvliet 1954) publiceerde eerder ‘Vlokken’ (1978), een uitgave van de Culturele Raad Dordrecht en ‘Kunstcorrespondentie’ (1983) in ‘Ramp, kwartaaltijdschrift voor taal noch teken’. Sinds 1975 is hij werkzaam in West-Brabant als docent op diverse scholen. Momenteel werkt hij als teamvoorzitter en docent bij de afdeling Retail van het Zoomvliet College, onderdeel van ROC West-Brabant.

 

 

© Brabant Cultureel 2017

 

 

Getagt als