Expositie rond overspel en ruzie in Museum De Wieger: wie is de Judas?

Inzage in brieven van Hendrik Wiegersma leverde nieuw materiaal op over een ruzie in 1930 tussen de kunstenaars Hendrik Wiegersma en Joep Nicolas. Beiden voelden zich verraden door de ander en beiden schilderden een voorstelling van de Judaskus. Deze werken staan centraal in een expositie rondom Joep Nicolas. Ook verscheen een boek, ‘De Judaskus’, waarin voor het eerst uitgebreid wordt ingegaan op de aanleiding.

door Irma van Bommel

Hendrik Wiegersma zou zich omdraaien in zijn graf als hij wist dat er in zijn huis, nu Museum De Wieger, een solo-expositie is ingericht met werk van Joep Nicolas. Beide mannen leerden elkaar kennen in 1924 tijdens bijeenkomsten bij kunstenaar Otto van Rees in het Klein Kasteel in Deurne. Zes jaar waren Wiegersma (1891-1969) en Nicolas (1897-1972) bevriend, totdat een hoogoplopende ruzie daar een einde aan maakte. De ruzie werd nooit bijgelegd.

De Judaskus van Hendrik Wiegersma, olieverf op doek, 1932. Collectie Museum De Wieger

Wiegersma was als huisarts gevestigd in Deurne. Hij was getrouwd met Nel Wiegersma-Daniëls en samen hadden zij vijf zonen, geboren tussen 1918 en 1927. Dat hij rondom 1930 heimelijk een liefdesrelatie had met Jeanne Moulaert-Nijs, was al langer bekend. Jeanne was de zus van Suzanne Nicolas-Nijs, de vrouw van Joep Nicolas, en tijdens bezoeken aan Joep en Suzanne hadden de twee elkaar ontmoet. De brieven die Wiegersma aan Jeanne heeft geschreven, bevonden zich na het overlijden van Wiegersma bij zijn zoon Pieter, die ze niet openbaar wilde maken. Pas na het overlijden van Pieter gaf diens zoon Tjerk ze ter inzage aan Lex van de Haterd, de huidige conservator van Museum De Wieger en de schrijver van het nu verschenen boek.

Situatie
Uit die brieven, maar ook uit memoires van Suzanne Nicolas-Nijs – die pas in 2017 zijn gepubliceerd – blijkt dat er een situatie was ontstaan die je zou kunnen omschrijven als ‘de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.’ Want wat was er aan de hand? Op momenten dat Wiegersma met een vriend op reis was, maar dus heimelijk met zijn geliefde Jeanne, zocht zijn vrouw Nel haar toevlucht bij Joep en Suzanne Nicolas die toen woonden in Groet, bij het kunstenaarsdorp Bergen in Noord-Holland. Joep en Suzanne hadden een open huwelijk en het is mogelijk dat er een affaire is ontstaan tussen Nel en Joep op een moment dat Suzanne bij haar minnaar Adriaan Roland Holst vertoefde.

Helemaal duidelijk wordt dit niet, maar Wiegersma verdacht Nicolas ervan het te hebben aangelegd met zijn vrouw. Zelf een getrouwd man, vond Wiegersma dat hij wel een relatie mocht hebben met Jeanne die

De Judaskus van Joep Nicolas, olieverf op doek, 1931. Collectie Limburgs Museum. Een detailfoto van dit werk siert de omslag van de catalogus die bij de expositie verscheen.

op dat moment gescheiden leefde van haar man. Maar Nicolas mocht in zijn ogen geen relatie hebben met Nel, een getrouwde vrouw, Wiegersma’s vrouw. Een dubbele moraal dus. Nel confronteerde haar echtgenoot met eenzelfde soort situatie als waarmee zij zichzelf zag geconfronteerd. Dat Nel, als geëmancipeerde vrouw, voor zichzelf opkwam en ook haar geluk opeiste, was iets dat Wiegersma niet kon verkroppen. En dus schoof hij alle schuld op Nicolas. De reactie van Wiegersma op de situatie zegt veel over zijn egocentrische karakter en conservatieve houding. Voer voor psychologen.

De ruzie tussen beide mannen is nooit bijgelegd. Sterker nog, Wiegersma bleef zijn hele leven Nicolas dwarsbomen. Niet alleen eiste hij dat gemeenschappelijke vrienden partij kozen voor hem en de omgang met Nicolas beëindigden, ook kreeg hij voor elkaar dat twee glas-in-loodramen van Nicolas, die Wiegersma had betaald, werden verwijderd uit de Sint-Williborduskerk in Liessel en werden vervangen door ramen van Henri Jonas. Wiegersma, die regelmatig werk van bevriende kunstenaars aankocht, vernietigde in 1930 de kunstwerken die hij van Nicolas in huis had. En in 1934, toen Joep Nicolas werd genoemd als kandidaat voor de functie van directeur van de Academie van Amsterdam, wist Wiegersma daar een stokje voor te steken.

In 1929 ontwierp en vervaardigde Joep Nicolas het St. Henricusraam voor de St. Willibrorduskerk in Liessel. Hendrik Wiegersma, die voor het raam had betaald, staat onderaan afgebeeld als medicus.

Judaskus
Wiegersma en Nicolas beschuldigden elkaar van verraad. Beiden schilderden een voorstelling van de Judaskus. Deze schilderijen, die zich in verschillende collecties bevinden, zijn nu voor het eerst bij elkaar in een tentoonstelling te zien. Nicolas schilderde het thema zelfs tweemaal, eenmaal een gouache en eenmaal een olieverfschilderij. Op het olieverfschilderij is een saillant detail te zien. Rechts naast de centrale scène van het Bijbelverhaal waar Judas Christus kust, schilderde hij Wiegersma en zichzelf. Nicolas zelf kijkend in de richting van de goede mensen die rechts van Christus staan (dus links op het schilderij) en met een hond als symbool van trouw. En Wiegersma kijkend in dezelfde richting als Judas, naar een groep slechte mensen die aan het vechten zijn. De ruzie leidde bij beide kunstenaars tot een grote productie. Wiegersma maakte in de jaren dertig zijn beste werken, waaronder de naaktstudies die nu te zien zijn in het museum. Voor deze naakten diende Jeanne eerder als inspiratiebron dan Nel.

De vier lampen met gebrandschilderd glas die Joep Nicolas ontwierp en vervaardigde voor het twaalfeneenhalfjarig huwelijksjubileum van Hendrik en Nel Wiegersma in 1929. Collectie Sjoerd Wiegersma

De expositie biedt, naast genoemde Judaskussen, een overzicht van het werk van Joep Nicolas met werken uit de eigen collectie, aangevuld met bruiklenen. Dit is overigens niet de eerste solo-expositie van Nicolas in De Wieger. In 1997 was zijn werk hier ook al te zien. Nicolas groeide op in Roermond en was voorbestemd zijn vader en grootvader op te volgen in het bekende glas-in-loodatelier Frans Nicolas en Zonen. Dat atelier kreeg opdrachten van katholieke kerken. Maar na het behalen van zijn gymnasiumdiploma vertrok Joep Nicolas in 1916 naar Freiburg in Zwitserland om er filosofie en kunstgeschiedenis te studeren. Tijdens zomervakanties in Ascona kwam hij in contact met tal van avant-gardisten op alle fronten, ook in de kunst. In 1918 keerde hij terug naar Nederland om in Amsterdam rechten te studeren, maar ook om er een tekencursus te volgen aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid, de voorloper van de Gerrit Rietveld Academie. Al gauw koos hij definitief voor de kunst. In Amsterdam verkeerde hij in inspirerend gezelschap van jonge Nederlandse en buitenlandse schilders en schrijvers. Uit zijn vroege tekeningen en grafische werk is invloed van het expressionisme merkbaar.

Afwisselen
Vanaf 1923 gaat hij dan toch aan de slag met gebrandschilderd glas-in-lood. Hij krijgt regelmatig opdrachten van kerken. Daarnaast blijft hij schilderen, in gouache en in olieverftechniek. Gedurende zijn hele loopbaan schildert hij afwisselend verfijnd en schetsmatig. In 1939 verhuist hij vanwege de oorlogsdreiging, maar ook vanwege Wiegersma die hem nog altijd bedreigt, met zijn gezin naar de Verenigde Staten. Na de euforie, omdat hij in New York Zadkine – die hij al in Deurne had ontmoet – weer tegenkomt, en ook Léger, Dali en Ozenfant ontmoet, volgt de teleurstelling. Het duurt lang voordat hij voldoende opdrachten krijgt om van te kunnen leven. Ondertussen maakt hij in surrealistische stijl en ook geïnspireerd op de Guernica van Picasso, werken die te maken hebben met de oorlog in Nederland. In de jaren vijftig krijgt hij regelmatig opdrachten voor glas-in-loodramen in Nederland en reist hij heen en weer tussen Amerika en Nederland. Maar in 1959 keert hij voorgoed terug naar Nederland en vestigt zich in het Limburgse Steyl.

De Hof van Getsemané / De Judaskus van Joep Nicolas, gouache, 1931. Collectie Roermondse Stichting 1880

Interessant is dat hij experimenteerde met materialen en daardoor nieuwe technieken ontwikkelde. Zo vond hij in de jaren dertig een nieuwe techniek uit voor het schilderen op glas, ‘vermurail’. In Amerika experimenteerde hij met schilderen op synresite, een soort polyester. Voorbeelden daarvan zijn in de expositie te zien. Ook te zien zijn een paar kunstwerken waarvan was aangenomen dat ze door Wiegersma waren vernietigd, waaronder het Sint-Henricusraam uit 1929 voor de Sint-Willibrorduskerk in Liessel. Bijzonder is dat onderaan die voorstelling Hendrik Wiegersma is afgebeeld als patroon en als medicus. Ook vier lampen in een kubusvorm met gebrandschilderd glas, die Nicolas in 1929 had vervaardigd voor het twaalfeneenhalfjarig huwelijksjubileum van Hendrik en Nel Wiegersma, zijn bewaard gebleven en nu te zien. Joep Nicolas had zich graag meer als vrij kunstenaar ontwikkeld, maar door zijn vele opdrachten voor gebrandschilderd glas-in-lood is hij toch vooral bekend geworden als glazenier. Het is de verdienste van Museum De Wieger dat er nu een overzicht te zien is van zijn hele oeuvre.

Omslag van de catalogus die bij de expositie van Joep Nicolas verscheen. Hiervoor is een detailopname gebruikt uit het schilderij De Judaskus van Joep Nicolas uit 1931, met de figuren Hendrik Wiegersma links en Joep Nicolas rechts.

De Judaskus, t/m 14 januari 2018 in Museum De Wieger, Deurne.
www.dewieger.nl

Lex van de Haterd, De Judaskus. Vriendschap en verraad van Joep Nicolas en Hendrik Wiegersma. Deurne: Museum De Wieger 2017, 76 pp., ISBN 978-90-73762-12-1, pb., € 12,50.

 

© Brabant Cultureel 2017