Aspecten van vijftig jaar cultuur in Noord-Brabant (1): seminaristen spelen Vondel

Redacteur JACE van de Ven staat stil bij grote en kleine cultuuruitingen in de provincie Noord-Brabant in de laatste vijftig jaar die hij bewust meemaakte of waarmee hij bij toeval in aanraking kwam. Hoe was dat toen en hoe kijken wij daar nu tegenaan? In deze eerste aflevering Joseph in Dothan door jongeren die nog leefden in de tijd van Vondel

door JACE van de Ven

Gemiddeld zeventien jaar oud speelden mijn schoolgenoten en ik vijftig jaar geleden, in 1967, Joseph in Dothan van Vondel in wat nu Openluchttheater Oosterhout heet. Op een enkeling na waren we niet de grootste toneeltalenten, maar toch geloof ik dat wij toen een prestatie van formaat neergezet hebben. Gelukkig werd destijds nog niet alles gefilmd, zodat ik dat kan blijven denken.

De regie van het stuk was in handen van Pater Remaclus, die zich er bij gebrek aan een vrouw en een gezin in bekwaamd had om als surveillant op het seminarie van de paters kapucijnen alle jongens die stiekem rookten te betrappen en om hen op niveau toneel te laten spelen. In 1964 had hij voor zijn toneelwerk de toen nog bestaande Cultuurprijs van de provincie Noord-Brabant gekregen. En terecht, denk ik.

Antoine Uitdehaag (midden) als Joseph te midden van zijn broers bij de put waar zij hem in willen gooien.

Liefdevol
Remaclus’ liefdevolle aanpak van taalbehandeling, spel en respect voor de eigen inbreng van de acteurs leidden vaak tot producties om u tegen te zeggen. Na een bescheiden journalistieke loopbaan waarin ik weliswaar tal van professionele toneelproducties heb gerecenseerd, spelers en regisseurs heb geïnterviewd – daarnaast volgde ik cursussen onder Annemarie Prins en Peter van der Linden – durf ik concluderen dat Remaclus op niveau en met visie werkte en verrassend met toneelteksten omging.

Wat hij ons, jonge spelers vijftig jaar geleden met Joseph in Dothan heeft bijgebracht, dragen we ons leven mee. Ontmoet ik nu nog iemand die toen een van de twaalf zonen van Jacob speelde – ik was Levi, de gemeenste – dan citeren we als groet altijd de tekst van onze gezamenlijke opkomst aan het begin van het tweede bedrijf: ‘Te goeder ure wij, om het vee volop te geven van gras en klaver, dat van Sichem herwaart dreven. Hier lacht de groene beemd de grage kudde aan, die om de heuvel tot de buik in klaver gaan.’

Omstanders kijken dan, alsof zij het in Keulen horen donderen. Vooral als een van ons er nog aan toevoegt: ‘Mij dunkt, gij slacht den kreeft en kruipt al achterwaart.’ En dan van de ander als antwoord krijgt: ‘Gij slacht het schorpioen, ’t vergif lijt in den staart.’

Slachten, lijken op, de betekenissen werden ons allemaal met geduld uitgelegd door Remaclus, die ook wilde dat we niet letten op rijm er metrum – die kwamen er toch wel uit – en dat we zo natuurlijk mogelijk converseerden. Niet makkelijk, zoals u aan de hierboven aangehaalde verzen kunt merken, maar al repeterend kwamen we een heel eind. Om onze bedoeling te ondersteunen begon de programmafolder met een citaat van de Noorse prof. dr. Käre Langvik Johanessen: ‘Als ze in Nederland gaan staan declameren, met de bedoeling het vers niet te vermoorden, staan ze in feite het drama te vermoorden, en dat is op toneel veel erger.’

Van links naar rechts Levi, Judas en Simeon in 1967 in Joseph in Dothan.

Drama
Ondanks onze prozaïsche tekstuitspraak werd er niet met Vondels verzen gesjoemeld en het drama waar Langvik Johanessen om vroeg, kwam er volgens mij. In elk geval in mijn beleving. Ik herinner mij de scène waarin ik als Levi bloed op de kleding van Joseph plengde. Met al mijn zeventienjarige empathie trok ik daarbij een waarschijnlijk iets te gemeen smoel en was onprofessioneel geëmotioneerd, maar toch.

Maar laat ik voor het goeie begrip het volk van 2017 eerst een exposé geven. Aartsvader Jakob had twaalf zonen. De elfde, Joseph, was zijn lieveling, hij gaf hem een felgekleurde jas cadeau. Dat wekte afgunst bij de anderen en het feit dat Joseph herhaaldelijk droomde dat zijn broers voor hem moesten buigen, maakte hem bij hen gehaat. Als hij hen bezoekt in het veld waar zij de schaapskudden aan het weiden zijn, besluiten ze hem in elkaar te slaan en hem achter te laten in een diepe put. Als hij daar niet uitkomt, heeft hij pech gehad. Oudste broer Ruben is het er niet mee eens en probeert later tevergeefs Joseph uit de put te redden. Hij weet niet dat de plannen door het langskomen van een karavaan veranderd zijn en dat zijn broers Joseph als slaaf hebben verkocht. Aan vader Jacob zullen zij vertellen dat Joseph omgekomen moet zijn en waarschijnlijk door wilde beesten verscheurd, omdat ze zijn chique jas vol scheuren en bloedspatten gevonden hebben.

Jan Schippers (voorgrond) als Judas.

Tomatenketchup
Nu, vijftig jaar later, kan ik de woorden nog reciteren die Levi zegt bij het bespatten van de kleding van Joseph met bloed – ook toen al tomatenketchup:

Ick heb een’ bock geslacht, om ’t stuck een verf te geven.
Nu met dit laeuwe bloet dien rock met kunst bewreven,
En hier en daer besprengt, en dan door ’t stof gesleurt,
En met de hant en tant gereten en gescheurt;
Gelijck of eenigh wildt den jongen had verbeten.

Even later komt oudste broer Ruben op die Joseph niet in de put gevonden heeft, hij ziet de bebloede kleding en denkt dat de jongen dood is. Aangedaan vraagt hij of hij zijn kleren mag hebben. Levi weigert, maar broer Judas, iemand die het eigenlijk met Ruben eens is maar uit lafhartigheid met de andere broers heeft meegewerkt, laat Ruben Josephs kleed even vasthouden. Levi laat hem en gaat af. Eenmaal uit het zicht van het publiek bleef ik onmiddellijk stilstaan om Ruben te horen en luisterde tot tranen toe bewogen naar zijn woorden:

O pluim, waer in het duifken stack,
’t Welck wrede havicken vervoerden,
Terwijl het my aen hart ontbrack,
En Haet en Nijt hun aes beloerden.

Of het waar is, weet ik niet, maar volgens mij kon je op dat moment in het theater een speld horen vallen. Niet alleen wij, ook het publiek was geraakt. Drama? Ja, volop drama. Waren wij allemaal zo sentimenteel? Ik denk het niet. Maar we waren wel ongerept, keken nog nauwelijks televisie op dat internaat en konden in de bibliotheek alleen terecht voor qua cultuur en religie voor ons geselecteerde literatuur.

Collaborateur Judas sluipt weg met de dertig zilverlingen waarvoor zijn broer Joseph is verkocht.

Onspeelbaarheid
Als Het Toneel Speelt in 1996 Joseph in Dothan op de planken brengt in een regie van Hans Croiset, met Rudolf Lucieer en Hans Hoes, schrijft Hein Janssen in de Volkskrant dat het stuk een kampioen in onspeelbaarheid is. Hij heeft zich er vreselijk bij verveeld. Ik snap die vaststelling van hem wel, een tijdgebonden trendvolger als Janssen, kan waarschijnlijk niets met dit stuk. En de dramatische handeling is bij Vondel inderdaad vaak ver te zoeken.

Ik leg die tekortkoming voor aan Jan Schippers, neerlandicus en kunsthistoricus die in onze uitvoering van 1967 de rol van Judas speelde. “Wat Vondel aan dramatische kracht ontbeert, maakt hij goed met zijn prachtige taal”, vindt hij. Ik vraag wat hij zich herinnert van onze Joseph in Dothan.

Hij denkt er ook een praktische reden was voor Remaclus om dit stuk te kiezen. “Tot dat jaar waren er op onze school nog uitsluitend jongens. Nou, dan is Joseph in Dothan een prima keuze.” Maar ook herinnert hij zich dat de keuze van het stuk verband hield met het wereldgebeuren in de jaren zestig, waarin ook burgeroorlog, stammenstrijd en haat-en-nijd de wereld kleurden. “Remaclus benadrukte voortdurend dat er links waren met wat er gebeurde op het wereldtoneel, de ene broer die de andere vermoordt.”

Pater Remacles Hommen.

Gastspeler
Voor een enkele rol was er een gastspeler geleend van het grootseminarie. En de wijze waarop Ruben die monoloog hield waarin het verlies van broer Joseph betreurd wordt, terwijl hij diens bebloede mantel vasthoudt, was groots: ‘O, pluim, waarin het duifken stak, hetwelk wrede haviken vervoerden, terwijl het mij aan hart ontbrak en haat en nijd hun aas beloerden.’

“Typecasting kon Remaclus ook als de beste. Voor de moeilijke rol van Ruben liet hij een oudere student van het grootseminarie komen. Als Joseph koos hij Antoine Uitdehaag (de latere toneelregisseur jvdv) die er destijds uitzag als een onschuldige dromer. Je zou hem zo vrij hebben willen kopen van die vuige Arabieren. Voor de brute broers die zich geschoffeerd voelden door de arrogant overkomende dromen van Joseph nam hij ruig uitziende knapen als JACE van de Ven”, lacht Schippers. “En wie mocht er de overloper Judas spelen? Een ironicus als ik.”

Tijdloos
Schippers wil nog wijzen op het modern ogend decor en de abstract tijdloze kostuums. “En sommige attributen waren zéér eigentijds: de dertig zilverlingen die Judas voor de verkochte Joseph kreeg waren echte zilveren rijksdaalders. Hoe groot die toen in omloop zijnde munten ook waren, ik had er grote moeite mee ze in het gras terug te vinden nadat Joseph ze uit mijn handen had getrapt. Tja, je moest natuurlijk wel zonder bril spelen en van lenzen had nog niemand gehoord in die tijd.”

Natuurlijk bleef alles amateurtoneel, maar met volle inzet, liefde en talent gebracht. Soms ging er iets op knullige wijze mis. Zo moest Joseph als slaaf gekeurd worden. Daartoe liet men hem springen door met een zweep te knallen. Maar hoe weet je zeker dat die knalt? In de bosjes stond een jongen met een alarmpistool. De eerste keer klonk dat prima, maar toch moest het publiek lachen. Waarom? Pal na de knal dreef er een rookwolkje uit de bosjes. Bij een volgende voorstelling stond de schutter goed uit de wind, maar toen het pistool weigerde fluisterde hij: “Hij doet het niet. Hoor maar.” En toen deed hij het natuurlijk wel.

Tijdperk
Van de spelers die in 1967 Joseph in Dothan speelden, zou niemand kapucijn worden. Het jaar daarop veranderde alles en een tijdperk was voorbij. De paters noemden hun seminarie geen seminarie meer, maar Convict Buurstede, een openbaar internaat. Er kwamen meisjes in de klas, iedereen mocht lezen wat hij wilde en we keken ’s avonds op de televisie naar de broedermoord van alledag.

De schrijver Jasper Mikkers, school- en generatiegenoot in Oosterhout, zou later een roman schrijven over die periode die hij Het einde van de eeuwigheid noemde. En zo was het, hadden wij Joseph in Dothan nog gespeeld als tijdgenoten van Vondel voor wie het tijdelijke aan de eeuwigheid vooraf gaat, plotseling ontnuchterden wij in de gewone wereld waarin mensen als Hein Janssen de waan van de dag als leidraad hebben.

Zou Joseph in Dothan deze mensen, ons, u en ik, nog kunnen raken? “Om te lezen is het nog steeds prachtig”, vindt Jan Schippers. “En waarom zou het ons niet meer kunnen raken? Joseph is toch niemand anders dan dat dode vluchtelingenjongetje aangespoeld op het strand.”

Dat lijkt mij de trieste waarheid, zoals ook de slotzin van Vondels stuk jammer genoeg in veel gevallen zal blijven gelden: ‘Och, de ouders telen het kind en maken het groot met smart. Het kleine treedt op het kleed, de groten treden op het hart.’

 

 

© Brabant Cultureel 2017