Brave Margot in het Geel

door Camiel Hamans

Bewegen is in, kijken naar beweging nog meer. Dat leert een eenvoudige dinsdag in de Franse Dordogne. De Tour de France komt voorbij. Het is niet de eerste keer. Dertig jaar geleden maakte de Ierse sprinter Sean Kelly hier al een doodsmak in een bocht waar een voor hem onverwacht restje grint lag en ook daarna zijn de renners met enige regelmaat voorbijgeflitst. Toch trekt de Tour opnieuw kijkers.

Al twee dagen tevoren arriveren de campers. Tientallen. Ze parkeren op officiële parkeerplaatsen, in voor de gelegenheid opengestelde weilanden en in de berm. Waar mogelijk met de kont naar de weg, zodat de schotelantennes een maximaal bereik hebben. Uit het zijraam steekt een vlag: Duits, Nederlands of Belgisch. Op een wat breder stukje, aan het begin van de dorpsstraat slaat een reusachtige truck zijn kampement op. Het blijkt een wagen van de organisatie te zijn, waar een speaker de hele rondedag hevig versterkt verslag doet van wat hij op de verschillende schermen in zijn cabine ziet. Niet dat iemand daar op zit te wachten, want in alle campers staat de televisie aan en de wielerliefhebbers zitten eraan gekluisterd.

De middenstand speelt in op het evenement. De bakker heeft al dagen een versierde racefiets voor zijn deur staan, met daarbij een bordje ’verboden aan te raken’. Zijn buurman, die vroeger in fietsen heeft gedaan, maar die zich met het verlopen van zijn nering heeft omgeschoold tot handelaar in druipende kip aan ’t spit, laat deze uiting van fietsvreugde niet op zich zitten en heeft in zijn verste schuurtje nog een omafiets gevonden. Die prijkt nu, evenzeer opgetuigd, voor zijn deur; eveneens met het verbod eraan te zitten. De bakker wint de wedstrijd, want hij blijkt over zoveel creativiteit te beschikken dat zijn hele etalage volstaat met fietsgebak: eclairs met in het chocoladeglazuur het silhouet van een racefiets, vruchtengebakjes met een gele truitje in top en de befaamde notentaart van de streek draagt een ironische rode lantaarn.

’s Ochtends loopt het voor hoogwaardigen gereserveerde terrein al vol. De koers wordt pas rond half vier verwacht, maar een bezoek van La Grande Boucle, ‘de grote lus’, is een feestdag. Aan de oevers van de rivier is een officieel standje ingericht met wielershirts, petjes en gele rompertjes. Wat verderop heeft de gemeente gezorgd voor springkussens zodat de ouders ongestoord aan tafel kunnen blijven. Een tweemansband uit een naburig stadje is ingehuurd. De ene muzikant speelt gitaar, de ander blijkt een multi-instrumentalist. Hij zingt, blaast de saxofoon, speelt gitaar en bedient de knoppen van de ritmebox.

Het wordt gezellig: families installeren zich op de terrasjes, op de gratis bankjes langs het water en aan de picknicktafels. Iedereen voelt zich op zijn gemak. Dat kan ook, want vijftig meter verder staan mannelijke en vrouwelijke militairen in camouflagepak op wacht. Ongewapend, maar wel met kanariegele hesjes over hun uniform. Koelboxen gaan open: salades, kippenpoten, paté, brood en wijn worden uitgestald. Onder de open markthal heeft het gemeentebestuur speciale gasten uitgenodigd voor een wandelend buffet. Tientallen notabelen uit de eigen en vooral belendende gemeentes dringen, alsof er ook maar enige kans bestaat dat de spijs- en drankvoorraad uitgeput kan raken. Rond de markthal verdringt zich opgeschoten jeugd met ogen op steeltjes. Vooral als blijkt dat veel van de gasten ogen hebben die groter zijn dan hun maag. Toch worden de jongelui niet tot de restanten toegelaten.

De nog jonge burgemeester neemt vandaag zijn kans waar. Hij heeft indertijd op het verkeerde paard gewed en is niet ‘en marche’. Vandaar dat de Mairie, die hoog boven de dorpsstraat uitsteekt, uitbundig vlagt. Niet een, maar talloze tricolores steken uit de vensters en de deur en ze hangen zelfs aan de dakrand. Mocht de Franse televisie een helikopterview tonen van het dorp, dan zal het ieder duidelijk zijn hoe vaderlandslievend deze gemeente is.

Intussen arriveert het begin van de reclamekaravaan, een verdwaald koppel schreeuwerige en luide auto’s die de komst van enige kilometers soortgenoten aankondigen. Aan de picknicktafels en op de terrassen gaat de maaltijd gewoon door. Er komt nu kaas op tafel en nieuwe wijn. Oma staat even op om te kijken of de kleinkinderen het nog steeds naar hun zin hebben op het springkussen. Op een bankje aan de waterkant valt een eerste liefhebber in slaap. Zijn vrouw grijpt hem vast, want het bankje heeft geen leuning.

Een half uur later komt de reclamekaravaan er echt aan. In de lucht hangt een kluit helikopters en aan het geluid te oordelen vliegen er ook vliegtuigen mee. Die zijn echter niet te zien. De wolken zijn veel te dik en hangen te laag. Door de hoofdstraat rijden honderden auto’s, steeds in groepjes van een stuk of wat. Een paar achter elkaar met een schreeuwende gele kip over de carrosserie gebouwd, het volgende drietal met grote, grijze balpennen op het dak, daarna een stelletje ronde kazen, waarin nog net uitsparingen voor het uitzicht en de koplampen, dan weer een rij frisdrankblikjes, enzovoorts. Midden in het dorp remmen ze af. Een Engelsman die op het trottoir rustig commentaar geeft aan zijn vrienden en de paar omstanders die echt staan te kijken, legt uit dat de bestuurders oppassen voor een ‘sleeping cop’, een overdwarse bult die normaliter het verkeer dwingt tot matiging. Het obstakel is door de tourorganisatie voor de renners gemarkeerd. Een paar honderd meter eerder hangt een geïmproviseerd geel verkeersbord met daarop een gestileerde tekening van een verkeersdrempel en een omhoog stuiterende fiets.

Aan de tafels is de stemming nu genoeglijk. De ene helft is enigszins uitgelaten, de andere helft rozig. Er komt zoetigheid op tafel, plus bijpassende drank en hier en daar een kopje koffie. Intussen nadert het peloton. Een rij helikopters kondigt de komst van de helden aan. De speaker schreeuwt het uit: er zijn twee koplopers met een voorsprong van een dikke drie minuten. Ze halen het vast niet, zeggen de deskundigen op het televisiescherm, de meet is nog te ver. Oma staat weer eens op, nu om zich terug te trekken in het keurig schoon gehouden openbare toilet. Op de terugweg neemt zij de kleinkinderen mee aan de hand. Er staat immers voldoende te smikkelen op tafel.

Met dat ze gaat zitten en de ouders voorhoudt dat de kleinkinderen wel de restjes mogen, snelt het voorop liggende duo voorbij. Her en der klinkt wat aarzelend applaus. De muzikanten spelen wat luider. Simon and Garfunkel’s Mrs Robinson. Op het moment dat de twee wielrenners uit het zicht verdwijnen, zingt de Nikkelen Nelis met een zwaar Frans accent: Heaven holds a place for those who pray. Het tweetal blijkt bij de aankomst in Bergerac niet voldoende gebeden te hebben. De overwinning gaat naar een Duitser die grossiert in eerste plaatsen.

Ineens davert het peloton door de straat en langs de rivier. Oma ontfermde zich juist over een stukje kaas. Opa sukkelde in slaap, de kleinkinderen snoepten de laatste kruimels en de tussengeneratie hield een oog op het dichtstbijzijnde tv-scherm. Een enkele minuut later sluiten van sirenes voorziene motoragenten de stoet. Opnieuw vliegt er een rij van vijf helikopters over de vallei. De muziek zet Brassens’ Brave Margot in. Voor de twintigste keer deze dag. Niemand neemt nog aanstoot aan de dorpsschone, de jonge herderin die een moederloos katje toestaat zich aan haar borsten te voeden. Geen schooljongens die, anders dan bij Brassens, nog opgewonden raken. De tafels worden afgeruimd. De kruimels zijn voor de muizen. De eerste auto’s vertrekken tien minuten nadat de bezemwagen is gepasseerd, in tegengestelde richting. Oma stoot opa aan, die wakker schrikt, zich uitrekt, een boer laat en vervolgens glimlachend met de muziek meeneuriet. Voor hem is de herinnering aan de jeune bergère, de wulpse, rondborstige, maar vooral dappere Margot levender dan een Tour de France.

 

© Brabant Cultureel 2017