De voorgeschiedenis van Someren opgespit en levendig beschreven

Bijna vijfentwintig jaar lang is in Someren archeologisch onderzoek verricht, steeds in samenhang met nieuwbouw van woonwijken en industrieterreinen. Dat onderzoek leverde enkele bijzondere vondsten op, en vooral een gedetailleerd beeld van de bewoning van dit gebiedje van prehistorie tot ver in de middeleeuwen: Voordat Someren Someren werd.

door Lauran Toorians

Noord-Brabant heeft reliëf. Ook wanneer we de vele viaducten, dijken en storthopen buiten beschouwing laten is het landschap niet zo plat als we vaak geneigd zijn te denken. Om grote hoogteverschillen gaat het niet. Te zeggen dat de provincie opklimt van net boven zeeniveau in het noordwesten tot zo’n veertig meter daarboven bij Luyksgestel zal menige buitenlander een lachbui bezorgen, ook wanneer hij of zij niet uit Zwitserland komt. Maar juist in die laaggelegen platheid zijn de kleine hoogteverschillen belangrijk. Van levensbelang zelfs, toen de eerste mensen zich permanent kwamen vestigen.

Zand
Uiteraard in het rivierengebied aan de noordrand van de provincie, maar ook elders in Zand-Brabant speelt het reliëf dan ook een essentiële rol in de bewoningsgeschiedenis. In het westen van de provincie is dat ook het geval, maar grote delen van dat gebied gingen tot ver in de middeleeuwen verscholen onder een pakket hoogveen. Die uitgestrekte veenmoerassen waren lange tijd niet erg aantrekkelijk voor mensen. Het zand dat een groot deel van de provincie kenmerkt, werd in en kort na de laatste ijstijd – zo’n twaalfduizend jaar geleden – door de wind afgezet en dat gebeurde in een patroon van ruggen en bulten. Ongeveer zoals het strand er na een paar dagen windkracht zeven uitziet, maar dan een maatje groter. Die ruggen damden beken af en zo ontstond een landschap met natte laagtes – waarin ook veen kon gaan groeien – afgewisseld met droge plekken die een stukje hoger boven het landschap uitstaken. Minder dan een meter niveauverschil kon daarmee al het verschil maken tussen natte of droge voeten.

De sporen van een grafveld tekenen zich af in het schone zand van de natuurlijke ondergrond. De donkere kringen zijn greppels die later met ‘vuil’ zand zijn dichtgeraakt. Binnen die ronde greppels bevond zich oorspronkelijk een grafheuvel. Foto uit besproken boek

In de steentijd was juist deze afwisseling aantrekkelijk. Groepjes jager-verzamelaars trokken rond en profiteerden van de diversiteit aan planten en dieren die dit landschap met zich meebracht. Maar toen de landbouw zijn intrede deed en de mensen boer werden en akkers gingen aanleggen, verloor die natte boel zijn aantrekkingskracht. Groepjes boeren vestigden zich op de ‘dekzandeilanden’ en legden zo de basis voor een grondgebruik zoals dat tot ver in de negentiende eeuw de norm is gebleven. De natte laagtes leverden grondstoffen als riet, heideplaggen en hakhout en boden ruimte om vee te weiden of bijen te houden. Op de drogere ruggen en bulten werd gewoond en geakkerd.

Hoewel archeologen dit beeld al lang kennen, gebeurt het niet vaak dat een representatief deel van zo’n dekzandeiland uitgebreid kan worden onderzocht om zo de prehistorische en middeleeuwse bewoningsgeschiedenis in beeld te brengen. Een plaats waar dat is gelukt, is Someren. Drie jonge amateurarcheologen vond hier in 1990 op een bouwrijp gemaakt terrein sporen uit de ijzertijd (circa 800-50 voor Christus) die bij nadere beschouwing bleken te horen bij een grafveld uit die periode. Een van de drie vinders was Toine Maas uit Asten die als historicus in het boekenvak belandde en nu al vele jaren de Utrechtse uitgeverij Matrijs leidt. De vondst werd keurig gemeld en dit leidde tot een opgraving en vooral tot blijvende oplettendheid van de amateurs. Eindhovenaar Fokko Kortlang, met toen al een ruime ervaring in de archeologie, sloot in 1991 aan bij de groep die in mei 1991 een nieuwe opgraving uitvoerde in Someren-Waterdael. Hij bleef tot het einde van de vele onderzoeken die nog volgden betrokken en schreef er nu een mooi en informatief boek over. Toine Maas is de uitgever.

Het onderste deel van een waterput uit de Romeinse tijd. De vierkante bekisting is kenmerkend voor die periode. Onder het grondwaterniveau blijven hout, en ook been, leer en andere vergankelijke zaken, vaak goed bewaard. Of in de gummilaarzen nog een archeoloog zit, vertelt het fotobijschrift in het boek niet. Foto uit besproken boek

Vlakdekkend
Inmiddels is er zo’n vijfentwintig jaar archeologisch onderzoek verricht in Someren en is er ook naar Nederlandse begrippen een erg groot oppervlak ‘vlakdekkend’ onderzocht. Toch is er nog steeds maar een relatief klein deel van het complete ‘dekzandeiland’ tussen de Aa en de Kleine Aa onderzocht. Wel kon het in 1990 ontdekte grafveld volledig worden onderzocht, wat een belangrijke impuls gaf aan het urnenveldonderzoek in Nederland. Meer centraal en hoger op het dekzandeiland werd in de midden-ijzertijd gewoond en geboerd op vrij kleine, door aarden walletjes omgeven akkers en ook hiervan zijn sporen teruggevonden.

Een erg bijzondere vondst is die van een man die rond 20 na Christus was begraven in het prehistorische grafveld dat toen al vier eeuwen niet meer in gebruik was. Niet alleen de plaats van begraven was ongebruikelijk, dat was ook het feit dat de man niet was gecremeerd, maar keurig bijgezet in een houten kist in een ruime grafkuil met zowel in de kist als daarnaast in de kuil rijke grafgiften. Mogelijk gaat het om een (inheemse?) veteraan die in het Romeinse leger had gediend. Zijn graf is zo bijzonder dat een reconstructie ervan in 2010 een permanente plek heeft gekregen in het Archeologiehuis van de heemkundekring in Someren. Het ‘krijgergraf van Someren’ is inmiddels een begrip in de Nederlandse archeologie.

In 2008 werd ongeveer vierhonderd meter ten zuiden van dit grafveld een tweede grafveld uit ongeveer dezelfde periode ontdekt. Nederzettingsresten met sporen van boerderijen waren ook al gevonden en dit leidde tot de conclusie dat in de ijzertijd tenminste twee afzonderlijke nederzettingen in Someren hebben bestaan. Die zullen allebei niet groter zijn geweest dan drie of vier boerderijen, maar dus wel met elk een eigen grafveld. Dit tweede grafveld bleef in gebruik tot in de Romeinse tijd. En ook hier is Someren bijzonder, want de bewoning lijkt hier te zijn doorgegaan tot in de tweede helft van de vierde eeuw na Christus, een periode waarin grote delen van Noord-Brabant ‘leeg’ waren. Hoe die ontvolking – die al in de derde eeuw begon – tot stand kwam en wat de oorzaak was, is nog steeds onderwerp van debat, maar Someren toont dus aan dat zij niet absoluut kan zijn geweest.

Ook na 400 lijkt Someren niet totaal van bewoning verstoken te zijn geweest, maar pas rond 700 lijkt de bevolking weer enige omvang te krijgen. In de eeuwen die volgen, groeit de bevolking gestaag, met een hoogtepunt rond 1200. Dat zien de archeologen in de uitbreiding van het landbouwareaal en de toename van bewoning die zich in deze periode clustert in kleine buurtschappen langs wegen en paden. Daarmee treedt Someren dan ook de (geschreven) geschiedenis binnen.

Op een poster werd de reconstructie van het krijgersgraf in Someren aan de omwonenden voorgesteld. De man op de foto woont inmiddels op de plek waar het graf werd gevonden. Foto Uitgeverij Matrijs

Publieksboek
Al dit archeologisch onderzoek in Someren is vastgelegd in een reeks archeologische rapporten en nu is er dus ook een publieksboek dat de resultaten van het onderzoek helder en behapbaar presenteert. Van de auteurs maakte Fokko Kortlang het onderzoek vanaf het begin mee, terwijl Evert van Ginkel ruime ervaring heeft in het presenteren van archeologie aan een breed publiek. De belofte die deze combinatie inhoudt, maakt het boek waar. Aardig is dat het boek zowel het verhaal van de opgravingen vertelt, met anekdotes, actiefoto’s en hier en daar wat droge archeologenhumor, en anderzijds de onderzoeksresultaten inzichtelijk maakt.

In hun drang om de lezer wegwijs te maken in de archeologie gaan de auteurs de hele prehistorie door. Daarbij komen ook periodes en ontwikkelingen aan bod waarvan in Someren geen sporen zijn aangetroffen. Dat wil niet zeggen dat die ontwikkelingen aan Someren voorbij gingen en de informatie is dus relevant, maar soms is het als lezer wel even opletten of de geboden informatie nog over Someren gaat of bij het bredere verhaal hoort. Natuurlijk is dit een luxeprobleem, want elke lezer hoort oplettend te zijn en het boek is er alleen maar rijker door.

Ook de vele illustraties dragen bij. Opgravingsfoto’s laten zien wat archeologen zoal doen (kuilen graven op zoek naar oude kuilen). Terecht is daarbij ook aandacht voor kraanmachinist Ton Luyten uit Hapert die van archeologisch grondverzet zijn specialisme maakte en met zijn vaardigheid op menige opgraving een geziene (onmisbare) medewerker is. Daarnaast zijn er artist-impressions die een beeld geven van hoe de archeologen nu denken dat het landschap, een boerenbedrijf of een akkercomplex er in het verleden uitzag. Door zijn opzet is dit boek zeker niet alleen interessant voor inwoners van Someren en omgeving. Wie meer wil weten over archeologie, wat het is en hoe het werkt, kan hier uitstekend terecht.

Fokko Kortlang & Evert van Ginkel, Voordat Someren Someren werd. Archeologie van een dekzandeiland.
Utrecht: Matrijs 2016, 160 pp., ISBN 978-90-5345-498-5, hb., € 29,95.

www.matrijs.com

 

 

© Brabant Cultureel 2017

 

 

 

 

Getagt als