Bevroren tijd en ruimte gevuld met grotendeels niets bij Claire Morgan

De eerste reactie bij het zien van de werken van Claire Morgan is verrassing. Ze zijn imposant groot en tegelijk van een ontstellende lichtheid. Ze zweven in de ruimte en zijn ook verre van massief, en toch beheersen zij de ruimte volledig en trekken ze alle aandacht naar zich toe. Bij nadere beschouwing gaat het om materialen die we in een andere setting als afval zouden beschouwen of zelfs gewoon als ‘vies’. Aan de schoonheid doet dat niets af.

door Lauran Toorians

Het Spaarne Gasthuis in Haarlem kreeg eind 2015 de Elisabeth van Thüringenprijs voor een monumentaal werk van Claire Morgan in de entreehal van het ziekenhuis. Dat is vooralsnog de enige openbare plek in Nederland waar werk van Morgan is te zien, maar tot begin januari 2017 kan de kunstliefhebber daarvoor nu wel terecht in Het Noordbrabants Museum. De Elisabeth van Thüringenprijs wordt uitgereikt aan ‘een voorbeeld stellend kunstwerk/project in de gezondheidszorg’. Het is een kunstprijs ‘die het welzijn en welbevinden van patiënten, bezoekers en medewerkers in de gezondheidszorg’ wil bevorderen en het Spaarne Gasthuis is de eerste instelling die hem won.

2009, Gescheurd plastic, eend (taxidermie), nylon, lood, acryl 190 x 200 x 200 cm.

Claire Morgan Ophelia, (Wake), 2009, Gescheurd plastic, eend (taxidermie), nylon, lood, acryl 190 x 200 x 200 cm.

Kwetsbaar
Betekent dit dat het werk van Claire Morgan iets heeft met ziekenhuizen? Nee, dat niet, maar haar werk gaat wel specifiek over ‘de kwetsbare verhouding tussen de mens en zijn natuurlijke leefomgeving’. De natuur speelt er een wezenlijke rol in. Deels gebeurt dat in de vorm van opgezette zoogdieren en vogels, opgeprikte vlinders en eindeloos veel dode bromvliegen en bijen. Dat klinkt morbide, maar is het niet. Taxidermie, het ambacht van het conserveren van dode dieren, staat in de kunst weer volop in de belangstelling, zoals ook in Het Noordbrabants Museum wordt gedemonstreerd door Jan Fabre. Daarnaast maakt Morgan gebruik van zaden en dan vooral van de zaadpluizen van paardenbloemen en distels en die houden natuurlijk de belofte in zich van nieuw leven.

Met deze onderdelen, en met honderden meters dun nylondraad, loodjes en hier en daar ook gescheurde stukjes plastic, maakt Morgan installaties die poëtisch zijn en iedereen stil maken en doen mijmeren. Het gaat om ruimtelijke objecten die uit talloze losse onderdeeltjes bestaan en die vrij in de ruimte lijken te zweven. Daardoor zijn zij meteen ook weer zo ijl en licht dat het begrip object misplaatst lijkt. Morgan speelt een subtiel spel met onze waarneming van ruimte en dat, net als haar gebruik van natuurlijke materialen, maakt dat haar werk behalve onder het kopje taxidermie ook onder de Bio Art zou kunnen worden geschaard.

Claire Morgan richt de tentoonstelling "The Sound of Silence" in. Foto Marc Bolsius

Claire Morgan richt de tentoonstelling ‘The Sound of Silence’ in. Foto Marc Bolsius

Ook onze natuurbeleving wordt door Morgan op zijn kop gezet. Dode dieren zijn ‘eng’, maar een opgezette poes, uil of sperwer is ook aaibaar als een knuffel. En als die poes dan weer klaar zit om een vogel te bespringen, hebben we dan medelijden met die vogel, of hopen we op succes voor de poes? Bij bromvliegen en bijen is al helemaal geen sprake van aaibaarheid. Die blijven ook dood vies en eng. Maar wat dan als zij keurig in formatie ‘vliegend’ (aan nylondraad geregen, dat dan weer wel) een volmaakte kubus of een keurig ronde bol vormen en je goed moet kijken voordat je ziet dat het insecten zijn? Dan vallen alle negatieve connotaties meteen weg, zien we schoonheid en verbazen we ons over het engelengeduld dat Claire Morgan hierin moet hebben gelegd. Iets vergelijkbaars geldt voor de zaadpluizen. Honderdduizenden hebben we er ons leven allemaal weggeblazen, en dat met veel plezier, maar zo’n pluis op je jasje of tijdens een maaltijd buiten op je bord, die hoort daar niet en valt in de categorie ‘vies’.

Nog weer een grens gaan we over, wanneer we lezen dat Morgan zelf haar dieren (die zij niet doodt, maar als verkeerslachtoffer of anderszins overleden in ontvangst neemt) prepareert op een blad papier waarop in dat proces onvermijdelijk bloedsporen ontstaan. Die sporen vormen dan weer het uitgangspunt voor tekeningen die soms op zichzelf staan en soms als ontwerp dienen voor een ruimtelijk werk. Tekenen met bloed, kan dat wel? En als opgezet dier terechtkomen in een installatie die met jouw bloed is ontworpen? Met dit soort stof tot nadenken komt Morgan nog dichter bij de Bio Art, die ook vaak uitnodigt tot het voeren van ethische discussies en evenzogoed de schoonheid van de natuur dichterbij wil brengen. Haar titels, die ze vaak ontleent aan de populaire cultuur, doen hier nog een schepje bovenop. Morgan maakt het alledaagse ongewoon, en laat de kijker ervaren dat het gewone, natuurlijke, juist heel verbazingwekkend kan zijn, en het vieze, enge, ook heel mooi. En dat doet zij een stuk effectiever dan Piero Manzoni die in 1961 zijn eigen poep inblikte en als Merda d’artista tot kunst bestempelde.

'Here is the End of All Things' 2011, Distelzaden, blauwe bromvliegen, uil (taxidermie), nylon, lood, acryl, 240 x 150 x 150 cm (3x).

Claire Morgan, ‘Here is the End of All Things’. 2011, Distelzaden, blauwe bromvliegen, uil (taxidermie), nylon, lood, acryl, 240 x 150 x 150 cm (3x).

Ielheid
Feitelijk zijn dit allemaal overwegingen achteraf. De eerste kennismaking met het werk van Morgan is vooral een ‘wauw-ervaring’. Zoals al gezegd lijken de kunstwerken te zweven. Door hun omvang domineren zij meteen de ruimte, terwijl hun ielheid de indruk wekt dat je er probleemloos dwars doorheen kunt wandelen. Elk zuchtje wind brengt beweging en maakt de werken nog minder massief. Zij vullen de ruimte met lichtheid.

In tweede instantie gaan de opgezette dieren die onderdeel van het werk zijn, hun rol spelen. De vliegende vogel vervormt de ruimte waar hij doorheen gaat, of duwt juist tegen het ijle object aan, de eend trekt een spoor door de plastic snippers zoals een levende eend dat doet door een met kroos bedekte sloot, en de poes zit doodstil klaar om toe te slaan zoals ook een echte poes dat minutenlang kan volhouden. Hier lijkt de tijd bevroren, zoals ook de ruimte is gevuld met grotendeels niets. En pas dan, in derde instantie herkennen we de zaadpluisjes, vliegen en bijen die opnieuw bevroren tijd en ontdane ruimte ‘tot leven’ brengen. Dit klinkt als slap gezwets, maar ik ben behoorlijk allergisch voor zweverigheid en dit is meditatief werk dat met zweverigheid niks van doen heeft.

2014, Paardenbloemzaden, twee lijsters (taxidermie), nylon, vitrinekast 107,50 x 101,60 x 41,70 cm, Renschdael art foundation

Claire Morgan, ‘Brief Encounter’, 2014, Paardenbloemzaden, twee lijsters (taxidermie), nylon, vitrinekast 107,50 x 101,60 x 41,70 cm, Renschdael Art Foundation

Claire Morgan (1980) is geboren en opgegroeid in Belfast. Dat die tijd en plaats haar extra gevoelig hebben gemaakt voor vergankelijkheid is een voor de hand liggende gedachte. Of het echt van invloed is geweest, weet ik niet. Niet iedereen in Noord-Ierland is kunstenaar geworden. Morgan wist al jong dat zij dat wel wilde. Zij studeerde beeldende kunst aan de universiteit van Newcastle (Noord-Engeland) waar zij nu ook nog steeds woont en werkt. Inmiddels is haar werk opgenomen in de collecties van verschillende grote musea en in privécollecties.

Een van die privéverzamelaars met werk van Morgan is Paul van Rensch die met zijn Renschdael Art Foundation al geruime tijd sponsor is van Het Noordbrabants Museum en daar eerder ook al uitpakte met werk van Lita Cabellut, Francis Bacon en Georgia Russell. Van Rensch schenkt ook her en der kunstwerken in de openbare ruimte en zijn stichting verstrekt subsidies. Dat is allemaal erg nobel en naast overduidelijk veel geld heeft hij ook een fijne neus voor goed hedendaags werk. Een keerzijde lijkt mij zo’n hechte relatie met een museum als dat in ’s-Hertogenbosch ook te hebben. De genoemde exposities bestonden steeds grotendeels uit werken uit de collectie van Van Rensch. Ook nu bij Morgan is dat het geval. De andere bruikleengever is Galerie Karsten Greve, met vestigingen in Parijs, Keulen en St. Moritz, en ook deze was bij eerdere exposities met hedendaagse kunst in Het Noorbrabants Museum betrokken.

Breder
Waarom niet met deze privécollectie (en de galerie) als basis een bredere expositie opgezet waarin het museum uiteindelijk zelf bepaalt wat het laat zien, waar mogelijk in overleg met de kunstenaar? Dan behoudt het museum zijn onafhankelijke rol als tentoonstellingsmaker die wars van markt en mode kan laten zien hoe de kunstwereld zich ontwikkelt. Nog steeds krijgt de verzamelaar dan de waardevermeerdering van zijn collectie die elke tentoonstelling in een serieus museum met zich meebrengt. Het Noordbrabants Museum is geen kunsthal en moet dat ook niet worden.

2014, Gescheurd lichtblauw plastic, kerkuil en huiskat (taxidermie), nylon, lood, acryl, 300 x 150 x 150 cm.

Claire Morgan, ‘The Owl and the pussycat’, 2014, Gescheurd lichtblauw plastic, kerkuil en huiskat (taxidermie), nylon, lood, acryl, 300 x 150 x 150 cm.

Bij de tentoonstelling verscheen een catalogus in drie talen. Daarnaast is een gratis ‘Verkenner’ beschikbaar, een handzaam wandelboekje waarvan er jaarlijks vier verschijnen. Op de achterkant staat dat het boekje beoogt ‘bezoekers – jong en oud – op een andere manier te laten kijken naar cultuurhistorische voorwerpen, kunst en design’. Dat is mooi, maar ik voel me als bezoeker toch niet helemaal serieus genomen wanneer het boekje mij aan het denken meent te zetten met vragen als ‘Welke geometrische vormen herkent u in de overige werken van de tentoonstelling?’ of ‘Verzin een nieuwe titel voor That’s All Folks, of een ander werk van Claire Morgan’. Ik weet niet of die benadering bij jongeren werkt, maar mij werkt hij op de zenuwen.

Erger is nog de toelichting bij The Owl and the Pussycat. Het wandelboekje licht toe dat die titel is ontleend aan een gedicht van Edward Lear uit 1871. Prima informatie, want niet iedereen kent zijn klassieken; ik wist het ook niet. Dan volgen in het Engels twee fragmenten uit het gedicht, wat vreemd is, want achter in het boekje staat keurig dat vertaalbureau Taalente de citaten van Claire Morgan vertaalde. Was dat dan niet hier ook niet nuttig geweest, als je vervolgens vraagt: ‘Herkent u het gedicht in het Kunstwerk? Waarom wel of juist niet?’ Een kunstenaar met werk dat de beschouwer zo serieus neemt als Claire Morgan doet, verdient beter.

Het boekje besluit met de gewetensvraag ‘Wat is het slechtste advies dat u ooit kreeg?’ Dit advies zal dat niet zijn geweest: neem uw publiek serieus.

Claire Morgan: The Sound of Silence, t/m 8 januari 2017 in
Het Noordbrabants Museum, ‘s-Hertogenbosch.

Darren Ambrose, Claire Morgan. The Sound of Silence. ’s-Hertogenbosch:
Het Noordbrabants Museum 2016, 96 pp., ISBN 978-90-825892-0-7, pb., € 19,95 (teksten in het Engels, Nederlands en Frans).

www.hetnoordbrabantsmuseum.nl

www.claire-morgan.co.uk

© Brabant Cultureel – oktober 2016