Philistines

In 1991 mocht ik voor de krant naar Londen om daar Charles Palliser te interviewen. Zijn bestseller ‘The Quincunx’ was toen net in het Nederlands vertaald en kraakte alle verkooprecords en Palisser zou in Tilburg te gast zijn bij de Nacht van het Boek.

door JACE van de Ven

Het boek speelt in de negentiende eeuw, voor een deel in kastelen onder Engelse edelen. Toen ik uit een soort vriendelijkheid mijn eerbied uitsprak voor de cultuur van deze Engelse adel, fronste Palliser de wenkbrauwen en vroeg hoe ik daar bij kwam. “They are all complete Philistines,” vond hij. “Wat hebben ze ons meer nagelaten dan de vossenjacht, de paardenraces en de pitbull?”

“Whaw!!!” dat was nog eens een uitspraak.

Later zocht ik de precieze betekenis van ‘philistines’ op in een Engelstalig synoniemenwoordenboek en kreeg, naast “inwoner van Palestina” als betekenis “iemand die zelfvoldaan, onverschillig of zelfs vijandig staat tegenover kunst en cultuur”. Met excuses aan de Palestijnen probeerde ik me het doen en laten van hun edele Engelse naamgenoten voor de geest te halen. Ik zag dames die gezien moesten worden op de renbanen van Ascot en Newmarket, aan de Franse Revolutie ontkomen nitwits die in hun clubs de toetreding van een nieuw lid weigerden omdat zijn stamboom te kort was en blaaskaken die de hele dag cricket of snooker speelden in de koloniën terwijl de donkere huisboy koele dranken aandroeg. Ja, ook snooker was aanvankelijk een elitesport. En net als bij cricket moest uit de duur van een snookerwedstrijd – bijvoorbeeld een week – vooral blijken dat degenen die aan het spelen waren zich konden veroorloven om de hele dag niks te doen.

De Engelse adel is eindelijk op zijn retour, naast ‘a little happy few’ zijn er edellieden die werken als buschauffeur, winkelbediende of politieagent of in een schuurtje bij hun voormalige slot zitten te verpieteren. Snooker zullen ze wel niet meer kijken sinds die sport ordinair is geworden, een paar dagen cricket misschien nog wel. Of golf, vooral omdat het hen aan vroeger herinnert, toen nog een soort bediende voor elke slag de speler de juiste club aanreikte. Keken ze deze zomer ook naar de Giro d’Italia, naar Roland Garros, naar Wimbledon, het EK Voetbal, de Tour de France, de US Open Golf, het Europees Kampioenschap hockey, de Olympische Spelen, het Dames Beach Volleybal – de heren niet, die zijn niet interessant – en naar al die luidruchtige Formule I Races? Net zoals wij. En gebruikten ze daar ook bier en chips bij, veel bier en chips, teveel bier en chips? En weten zij ook alles van de sporten waar ze naar kijken? Nog meer als de commentatoren? Net als wij. Het credo ‘brood en spelen’ is nog nooit zo massaal aangehangen als in onze tijd. Letterlijk dag en nacht kun je pils en chips verorberen, terwijl van ergens ter wereld een sportwedstrijd of toernooi live in je huiskamer is te zien. Meestal vanuit een land waarvan het regime niet deugt. Dat maakt ons niet uit.

De Romeinse schrijver Juvenalis mopperde daar bijna tweeduizend jaar geleden al over: “Vroeger verkochten we onze stem aan niemand. Maar al een tijd heeft het volk de macht afgestaan. Vroeger koos het de bevelhebbers, de hoge ambtenaren, de legioenen, alles. Maar nu stelt het zich tevreden met nog slechts twee dingen: brood en spelen.” Ook wij hebben daar voor gekozen. Vroeger werd het ons opgelegd. Toen waren het de fabrikant en de pastoor die ons arm en dom hielden, nu doen we dat zelf. Zolang, als in de Romeinse tijd, de overheid ervoor zorgt dat we niet verhongeren en zij ons zoet houdt met vermaak, zullen wij niet verder kijken dan onze neus lang is. “We are all complete Philistines”.

© Brabant Cultureel – augustus 2016