De lange, priemende vinger van Astrid Lampe heeft scherpe nagel

In haar nieuwe bundel toont de in Tilburg geboren dichter Astrid Lampe een grote bekommernis om de positie van kunst te midden van bedreigende ontwikkelingen. Juist door de kracht van haar poëtische verbeelding slaagt zij erin niet alleen stelling te nemen maar ook succesvolle raids uit te voeren.

door Albert Hagenaars

Nog voordat je de nieuwe bundel van Astrid Lampe opent, zit je al met anderhalf raadsel opgescheept. De naam van de dichter en de uitgeverij, de titel en de toevoeging Gedichten staan net duidelijk genoeg op de omslag maar de fascinerende foto van een Man uit Dagestan van Sergei Prokudin-Gorskii (1863-1944) staat ondersteboven! Waarom heeft ontwerpster Brigitte Slangen die bekende kiek omgekeerd? Is het een verwijzing naar een omklapprincipe, zowel van de spiegel in de camera als van het tsaristische rijk naar het revolutionaire Sovjet-systeem? Geeft het een indicatie naar de manier waarop de bundel het best kan worden gelezen?

Tweedeling
Er is hoe dan ook sprake van een ontkoppeling, een tweedeling. Het colofon geeft bovendien hints over het belang van The Waste Land van T.S. Eliot, dat eveneens twee delen kent. Het kleinere raadsel betreft de titel. Je bent geneigd te lezen: De taigazwijntjes. Elk van de drie elementen staat op een aparte regel. We zien echter geen afbreekteken achter taiga. Open je het boek dan zie je dat de inhoud uit twee delen bestaat: 1) De taiga, en 2) De zwijntjes. Er is dus sprake van een dubbele titel, passender gezegd een dubbeltitel.

Lampe begint als volgt:

I

nog steeds hangt de camera van het kunstinstituut
boven de bedreigde diersoort
maar je bent er niet
het is lastig schrijven
geen stukje aarde blijft

eten vechten paren en de rest

in het diepe oosten van de slaapzaal
stapelbedden
in volle bloei
zie de jongens staan

het geblaf grimmiger

zoals het licht de kleuren tegen de bergflank aanvlijt
nu blijkt dat zelfs de kritische karekiet
als weerbaarheid tegen verandering
snakt naar beelden:

sparappels, oorlogsweduwen desnoods

niet eenkennig HA
(niet verlegen)
je haar glanst
naarmate het vermogen groeit

ons te verplaatsen
glanst harder…

 

Welke leeshouding je ook aanneemt, zoekend naar vertrouwde patronen of juist onbevangen, Lampe beproeft hem op alle mogelijke manieren. Ze is niet alleen dichter, maar ook actrice/regisseuse en ontleent daar ongetwijfeld invloed aan. Talrijke associaties en trefwoorden zorgen voor uitzetting en krimp. Hier volgen enkele pogingen tot een steviger betekenisverband, gericht op alleen bovenstaand fragment:

De camera kan een veiligheidsapparaat in een bestaande kunstschool zijn, maar verwijst vermoedelijk ook naar het apparaat van Prokundin-Gorkii. In dat geval wordt het instituut bedoeld als de hele sector, het artistieke wereldje, vergelijkbaar met de etnische minderheden die de hoffotograaf tot in alle hoeken van het imperium vastlegde.

Astrid Lampe. foto Leo van der Noort

Astrid Lampe. foto Leo van der Noort

Uitgestorven
Bedreigde diersoort slaat in eerste instantie op bijna uitgestorven beesten inclusief, wie weet, sommige soorten zwijnen (al kan het zwijn net zo goed staan voor agressie en gebiedsuitbreiding), maar middels de hernieuwde Russificatie ook op minderheden van de Kaukasus. Deze benoeming is dan geen doel op zich, maar een metafoor voor alle versies van machtsspel vanuit geopolitieke belangen. Heer Everzwijn van Hugo Claus, een bundel die ook al uit twee delen bestaat, raakt evenzeer aan sommige van deze principes!

Waarom wordt vermeld dat de slaapzaal een diep oosten kent? Tja, de jongensafdeling kan zich in een oostvleugel bevinden maar ook de associatie ‘Het daghet in den oosten, het lichtet overal’ dringt zich op. De betreffende tekst uit het Antwerps Liedboek (1544) heeft als thema de keuze tussen een werelds leven en een kloosterbestaan. Voor in volle bloei ‘staande’ jongens (let op de tweevoudige betekenis) is bij de laatste optie geen plaats meer. Erotiek verschuift zelfs in slechts enkele woorden van lente naar onheil, als we het geblaf als dreiging opvatten. Los hiervan: de Kaukasus inclusief Dagestan ligt voor ons in het oosten. Daartegen pleit echter dat dit allesbehalve taigagebied is, een geldig argument als Lampe een zinvolle relatie tussen zwijntjes en taiga tot stand heeft willen brengen.

En wat doet een karekiet hier? Officieel bestaan er een grote en een kleine soort, ook in de Kaukasus, maar Lampe benoemt hem als een kritische. Een karekiet is een vogel met een schrille zang. De hare, of in echo die van Eliot (die met The Waste Land een huzarenstukje aan cultuurkritiek ten beste gaf)? Moet de vogel met z’n onaangename roep een tegenhanger zijn van de zoetgevooisde nachtegaal uit de klassieke lyriek, een representant van de om verandering schreeuwende dichtkunst van nu?

De broedpopulatie van de karekiet is in ons land volgens ornithologen in slechts enkele decennia met maar liefst negentig procent afgenomen en die achteruitgang gaat nog steeds door. Als dat geen bedreigde diersoort is! Lampes karekiet wil geen verandering, maar snakt, een fascinerend contrast, wel degelijk naar beelden. En hier komen er twee…

Torenprinsessen
‘Sparappels, oorlogsweduwen, desnoods’. In plaats van clichés als rozen en torenprinsessen? Sparappels zijn als zaad symbolen van leven, ze behoren tot de belangrijkste vruchten van de taiga. Oorlogsweduwen, die wel genoeg in de Kaukasus te vinden zijn, van Dagestan tot Tsjetsjenië, vertegenwoordigen de dood. Maar beide hebben gemeen dat ze overleven, de spar/den met zijn immer groene naalden in een voor de mens behoorlijk onherbergzaam gebied, de weduwe als getuige van leed op grote schaal. Zeg zelf, een beeld over de dood is met zo’n weduwe krachtiger dan zonder rouwende dame.

De kans dat Lampe van dezelfde overwegingen uitging is natuurlijk erg klein, maar haar poëzie maakt dit soort gedachtesprongen alleszins aannemelijk, stuurt er zelfs op aan ze uit te voeren en dat op zich is al een verdienste. Lang niet alle poëzie kan hetzelfde oproepen. In dit verband, Lampe schrijft wel origineel maar haar werkwijze is niet uniek. Ze gooit haar hengel uit in dezelfde vijver als die waar onder andere Martijn Benders, Peter du Gardijn, Wouter Godijn, Onno Kosters en, al veel langer, Piet Gerbrandy, in zitten te vissen.

‘Je haar glanst / naarmate het vermogen groeit / ons te verplaatsen’ is dan weer heel anders van toon. Dit stukje doet sterk denken aan sommige beelden van Faverey. Alleen het verplaatsen, voorbeeld van verandering bij uitstek, kan verbonden worden met de andere motieven.

Als ik stop met interpreteren en kijk naar Lampes woordkeuze, moet ik constateren dat zij lexicaal ook veel om handen heeft. Ze jongleert met in zwang zijnde uitspraken (durfkapitalisten, DNA-profiel en muisklik), ingenieuze neologismen (zweetlozing, applausinflatie, waterscha-averij, rugdecolleté) en veel, heel veel Engels (voice-over, pop-up store, slash, toolkit, secret munition, junk-DNA, do not cross). Dat zorgt weliswaar voor een tintelende hedendaagse beleving, maar kan met evenveel recht als modieus effectbejag worden afgedaan. Lampe kan tevens ironisch hebben willen uitpakken. Gelukkig is er tussendoor de nodige humor, maar ook die is vooral talig van aard.

Variërend ritme
Het profiel van deze poëzie wordt niet in het minst bepaald door variërend ritme, vinnige wendingen en ook registerwisselingen. Lampe heeft het ergens wel over pelgrims en houtsnijders als symbolen van rust, maar die moeten we zien als tegenwicht, want haar gedichten zijn juist niet rustig. Integendeel, die drukken de lezer aanhoudend met z’n neus op de grote thematische tegenstellingen van de bundel: verandering – immobiliteit, maatschappelijk engagement – contemplatie, oorlog – vrede, samenvattend: de maalstromen in de wereld versus het kleine geluk dat gevuld kan worden door liefde, rede, een handvol woorden in eenzelfde akkoord, een paar streken verf…

Over de bundel kun je met gemak een lijvig boek schrijven, maar er hoeft alleen al op basis van dit openingsfragment niet langer getwijfeld te worden aan Lampes intenties. De tweevoudige lading van haar werk, enerzijds de keuze voor de waarden van alles wat weerloos is (denk aan de befaamde uitspraak van Lucebert), plus de oproep tot verweer tegen de destructieve krachten, en anderzijds het besef dat de reactie dan wel flexibel, verbeeldingsrijk en vooral overtuigend moet zijn, maakt De taiga zwijntjes extra spannend.

Of nou een toevallige lezer het boek opent of een lid van de harde kern van de poëzie; ontsluiting van de bundel is grotendeels afhankelijk van de bereidwilligheid om zélf open te staan voor Lampes uitdaging. Haar vorm van communicatie is dan wel redelijk ongewoon (gelukkig maar, poëtisch gesproken), maar het is er een die vrijwel steeds met een lange vinger, voorzien van een scherpe nagel, richting hoogst actuele zaken priemt!

bc201601-albert_hagenaars-de_taiga_zwijntjes-omslag-750

Astrid Lampe  ‘De taiga zwijntjes’
52 pagina’s, Querido; Amsterdam, 2015; ISBN: 978 90 214 00457, NUR: 306, € 17,99.

www.astridlampe.nl
Querido uitgeverij

© Brabant Cultureel – februari 2016