Violist en garagist Bero Weis houdt de klassieke zigeunermuziek in ere

Weis is de naam, Bero Weis. Violist en garagist in Grave. Telg van de bekende Sintifamilie Weiss. Kleinzoon van zigeunerkoning Tata Mirando. En daarom als musicus drager van een tweede naam: Bero Mirando. 

door Rinus van der Heijden

Eerst maar even wat administratieve afhandeling. De familienaam is Weiss. Met tweemaal een ‘s’. Wat betreft Bero (44) is één ‘s’ vervallen toen hij zijn Duitse paspoort verruilde voor een Nederlands. En dan nog dit. Gipsy is een ander woord voor zigeuner. Een dat de beladen inhoud ervan enigszins markeert. Maar van Bero mag je hem gerust zigeuner noemen. Geen enkel punt. “Het woord zigeuner is afgeleid van het Duitse ‘Ziehende Gäuner’ (reizende rover). Ik heb totaal geen probleem met dat woord. Ik heb nooit last ondervonden van discriminatie. Ik ben trots dat ik een zigeuner ben, daarom zie ik die benaming zeker niet als een belediging. Wij behoren tot de Sinti, oorspronkelijk afkomstig uit Duitsland en Frankrijk. Roma komen voornamelijk uit het Oostblok.”

het eerste jonge in de begin jaren orkest toen het nog heten Morschi mirando  daarna is de naam over gegaan op  tata mirando  vermoedelijk net voor de oorlog. foto Gemma van der Heyden

Het Morschi Mirando Orkest in de beginjaren van zijn bestaan, vermoedelijk net voor de Tweede Wereldoorlog. Het orkest ging later over in het Koninklijk Zigeunerorkest Tata Mirando. foto privé-bezit Bero Weis

Bero Weis is muzikant, zij het nog niet van de bedrevendste soort. Spelen doet hij echter al zijn hele leven, “net als alle kinderen en nakomelingen van Tata Mirando.” Pas sinds een jaar of zes gaat hij serieus met de muziek om. “Ik speel al van kinds af aan viool, maar vraag niet hoe”, zegt hij. “Mijn vader Morschi had geen geduld om mij muziek te leren. Ik vind dat nog altijd zó jammer. Ik speelde daarom altijd met platen mee. Een jaar of zes geleden kwam ik in contact met mijn neef Djangela die contrabas en piano speelt. Hij ging mij les geven. Tegelijkertijd kroop een oom met mij achter de piano, omdat ik dat instrument al een beetje kon bespelen. Djangela zei dat ik moest doorgaan. Mijn neefjes Nello en Nadino van de vierde generatie gingen vanaf toen ook wel eens meespelen.”

Morschi, vader van Bero Weis en primas van zijn orkest. foto privé-bezit Bero Weis

Morschi, vader van Bero Weis en primas van zijn orkest. foto privé-bezit Bero Weis

Piano
“We hebben inmiddels heel wat partijtjes gedaan en overal opgetreden. Van Nello Rigo, zoon van mijn oom uit het echte oude orkest heb ik ontzettend veel geleerd. In de stijl van de Mirando’s is het gebruik van een piano uniek. Die komt normaal gesproken niet in de zigeunermuziek voor. Altijd wel een cimbaal, violen en een altviool. De piano bij de Mirando’s herken je meteen aan de ‘attack’. Vroeger had je het orkest van Lajos Veres, dat speelde ook in die stijl, net als wij allemaal oud werk.”

“Neef Nello Rigo heeft een eigen stijl. Een mengeling van Hongaarse volksmuziek en muziek uit onze familie. Ik prefereer de oude, klassieke zigeunerspeelwijze, van die mooie oude en zware dingen. Die hebben zoveel lading. Tegenwoordig hoor je alleen nog maar Hongaren. Die zijn geschoold in de raykostijl. Maar de Mirando’s spelen in de oude zigeunerstijl, mét piano. Dit instrument is eigenlijk de vervanger voor het cimbaal. Nu spelen we mét piano en cimbaal. Dat is helemaal uniek.”

Bero Weis. foto Gemma van der Heyden

Bero Weis. foto Gemma van der Heyden

“Ik voel me trots als ik mag spelen”, glundert Bero Weis. “Ik probeer dan de stijl van mijn vader vast te houden. Ik had nooit durven dromen dat ik nog eens zou samenspelen met Nello, de huidige primas (eerste violist en orkestleider) van het Koninklijk Zigeunerorkest Tata Mirando én met oom Adolf. Zo goed als mijn vader zal ik nooit worden. Dat hoeft ook niet. Hij zei altijd: ‘Speel voor de muziek, niet voor geld’. Studeren doe ik elke dag. Tweemaal per week krijg ik les van Nello. Mijn familie speelt al een leven lang. Die sfeer om de mannen bij elkaar te halen, die wil ik vasthouden. Als ze vroeger ergens speelden, kwamen ze met de auto aan. Die momenten hadden iets magisch, omdat het een deel van hun identiteit vormde.”

“De mannen uit het eerste echte en oude Tata Mirando-orkest speelden elke dag, zij hebben de Mirandostijl uitgevonden. Was heel apart. Ze hadden drie woonwagens, waar ze met zijn allen in woonden, dag en nacht. Daar kwamen ze begin vorige eeuw vanuit Zwitserland via Duitsland mee afgezakt naar Nederland: Josef Weiss met zijn negen zonen. Mijn opa, Josef dus, heeft tot zijn dood in zijn wagen in Dieren gewoond. Adolf woont in een huis in Arnhem. Ikzelf ben geboren in Den Bosch. Toen mijn vader en moeder scheidden, was ik acht jaar. Mijn moeder en ik gingen op een boerderij in Overasselt wonen, mijn vader ging terug naar een woonwagen. In 1981 kwamen moeder en ik in Grave wonen. Daar volgde ik de basisschool en nadien technisch voortgezet onderwijs in Nijmegen. Ik was 23 jaar toen ik als zelfstandig autoverkoper aan het werk ging, in 1993 startte ik een eigen bedrijf in Boxmeer en nu ben ik eigenaar van Auto Weis in Grave.”

De familie Weis op het woonwagenkamp in Dieren, na de Tweede Wereldoorlog. foto privé-bezit Bero Weis

De familie Weis op het woonwagenkamp in Dieren, na de Tweede Wereldoorlog. foto privé-bezit Bero Weis

Woonwagen
Hoewel Bero Weis nooit in een woonwagen heeft gewoond, heeft hij er nog levendige herinneringen aan. “Mijn vader kocht na de scheiding zijn oude wagen terug. Hij bleef maar verhuizen, tot hij ziek werd. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij terug verlangde naar vroeger. Toen was er sprake van vijf wagens: twee kampers en drie woonwagens in Eerbeek. ’s Avonds werd er een vuurtje gemaakt en kwamen de ooms langs om verhalen van vroeger te vertellen. Hoe vaak heb ik niet gedacht: ik wilde dat ik erbij zou zijn geweest. Nu niet meer. Ik wil niet in een wagen wonen.”

Hoe zit dat nu met de Mirando’s, want na de gloriejaren van het Koninklijk Zigeunerorkest Tata Mirando zijn de verbindende lijnen tussen de vele familieleden, erg diffuus geworden. Om te proberen tenminste enige duidelijkheid te scheppen, is een korte geschiedenis van het orkest onontbeerlijk. Tata Mirando’s  werkelijke naam was Josef Weiss. Aan het begin van de twintigste eeuw trok hij met zijn vader, die een orkest leidde waarin Josef contrabas speelde, door Europa. Ze kwamen in Duitsland terecht, waar zigeunermuziek uiterst werd gewaardeerd. Daarom was het niet verwonderlijk dat groothertogin Louise van Baden en keizer Wilhelm II Weiss’ orkest rond 1913 het predikaat ‘koninklijk’ meegaven.

Koninklijk Zigeunerorkest Tata Mirando tijdens een souper en bal voor staatshoofden in het Paleis op de Dam in Amsterdam. foto privé-bezit Bero Weis

Koninklijk Zigeunerorkest Tata Mirando tijdens een souper en bal voor staatshoofden in het Paleis op de Dam in Amsterdam. foto privé-bezit Bero Weis

Toen de macht van de nazi’s in de jaren dertig steeds groter werd, sloot het orkest van Weiss zich aan bij circus Toni Boltini en ging het voortaan onder de naam Zwarte Raven door het leven. Later kocht Bero Weis’ vader Morschi de naam Mirando van een ander  circus en werd het Orkest Morschi Mirando. Maar dat was ver nadat Josef Weiss tijdens een tournee door Nederland besloot niet meer terug te keren naar Duitsland. Hij ging in Nederland violen bouwen en ontkwam tijdens de Tweede Wereldoorlog als enige van zijn familie – onder wie twaalf broers – aan de concentratiekampen van de nazi’s. Na de oorlog stichtte hij het orkest ‘Tata Mirando en zijn zeven zonen’. Dat waren Morschi, Roma, Moro, Lupa, Krishan, Adolf  en Nello. Het zevenkoppige orkest telde vier violen, een altviool, piano, contrabas en twee dubbelarmige gitaren. Sommige broers speelden wel eens ergens anders, dan verschilde de bezetting van Tata Mirando’s orkest uiteraard. Voor een zigeunerorkest was het instrumentarium ongebruikelijk – vier violen en geen cimbaal – en dat was ook zijn omvang. Vader Josef bespeelde zelf de contrabas.

Foto uit 1890 met achter de contrabas (vermoedelijk) Josef Weiss, de latere Tata Mirando. De andere personen zijn zijn broers, die allen zijn omgekomen in de oorlog. foto privé-bezit Bero Weis

Foto uit 1890 met achter de contrabas (vermoedelijk) Josef Weiss, de latere Tata Mirando. De andere personen zijn zijn broers, die allen zijn omgekomen in de oorlog. foto privé-bezit Bero Weis

Koninklijk huis
In de tweede helft van de jaren vijftig brak het orkest van de Mirando’s door. Vanuit Coevorden kreeg het muziekgezelschap  vele contracten voorgelegd, kwamen er optredens voor het koninklijk huis, werd een grammofoonplaat opgenomen en voegde zich een Pools/Litouwse zangeres bij het orkest van Tata Mirando: Monika Witkiewiczowna. In korte tijd zong heel Nederland Zwarte Ogen en Les Deux Gitares mee. De komst van de zangeres bleek een gouden greep, want vanaf dat moment was het orkest vrijwel dagelijks via de radio te beluisteren. Het repertoire bestond voor de helft voornamelijk uit Hongaarse en Roemeense zigeunermuziek, terwijl de andere helft werd aangevuld met eigen werk. Plus, niet geheel onbelangrijk, stond het orkest ook open voor jazzinvloeden. Het is niet overdreven te stellen dat de populariteit van Django Reinhardt, voortrekker van de zigeunerjazz in de jaren dertig en veertig, door Tata Mirando is opgepikt en uitgedragen. Met als gevolg dat die vermenging van de diverse soorten muziek – eigen aan de zigeunertraditie – nieuwe vertolkers heeft opgeleverd zoals het Rosenberg Trio, Paulus Schaeffer en de Basily-familie.

“De Basily Gipsy Band is nauw verweven met ons”, zegt Bero Weis. “De Schaeffers en Rosenbergs niet zo. Maar je bent al heel snel familie van elkaar, er zijn immers weinig zigeuners meer. Ik ben erg dankbaar dat ik mijn moedertaal nog vlot spreek. Dat is bij mijn familie en bij latere generaties zeker niet meer zo. De taal sterft uit, de gewoontes ook. Van veel wetten en gewoontes weten velen niets meer. Dat vind ik heel erg. Komt allemaal door de oorlog. Hitler heeft zijn zin gekregen door de zigeuners vrijwel in zijn geheel uit te roeien. Onze taal heet Romanesj, praktisch helemaal gebaseerd op dialecten van allerlei stammen. De naam van onze stam is Bialendi. Te herkennen aan bepaalde kenmerken in onze gezichten. Alle stammen hebben een eigen dialect. Elke stam kent ook zijn eigen bereiding van eten. Soms probeer ik mijn kinderen te waarschuwen in het Romanesj. Maar ja, met wie spreek ik die taal nog? Met een paar neefjes en wat mensen uit het orkest.”

Optreden Kerkje in Velp

Optreden van het Orkest Bero Weis in het Kerkje in Velp. foto Gemma van der Heyden

Kerkje Velp
De vermenging van de diverse zigeunerstammen heeft er zeker toe bijgedragen dat namen en familiebanden nauwelijks nog uit elkaar zijn te houden. Op een druilerige zondagmiddag in januari trad het orkest Bero Weis op in het zo pittoreske kerkje van Velp. De stoelen waren tot de laatste bezet. De namen van de musici zijn het waard om te worden vermeld, al was het maar omdat ze zo schilderachtig zijn. En ook omdat er onderling familielijntjes naar elkaar lopen. Orkestleider Bero Weis speelde uiteraard de eerste viool. Tomy Variade en Nello Mirando tweede viool. Bandi Varade bekommerde zich om het cimbaal, terwijl de zich nadrukkelijk manifesterende, stokoude Tata Mirando junior de piano ranselde. Gyuszi Rezmuves tenslotte bespeelde de contrabas.

Al bij de eerste klanken brak het kippenvel je uit. Dat bleef zo tijdens het gehele concert. Ondanks het feit dat er vele fouten werden gemaakt, er zich nogal wat te late inzetten voordeden en niet elk instrument zuiver was gestemd, stond hier de tijd even stil. Zes mannen, die met bezieling hun eeuwenoude traditie levend hielden, die liefde en huiver aan hun instrumenten ontlokten en die gegeseld door de eeuwen, met rechte rug alle ontberingen hen aangedaan, in smachtende muziek omzetten. Het volgepakte kerkje in Velp luisterde doodstil naar de hartekreet van een ruim duizend jaar oud volk dat vertrapt en vernederd is, maar mede door zijn muziek steeds weer overeind is gekrabbeld.

Zigeunerorkest Bero Mirando

Concert Kerkje Velp

© Brabant Cultureel – februari 2016